Waarom verveling goed is voor een mens

Moeten we elke minuut van de dag volproppen met afspraken, verplichtingen en drukte? Schrijver Sophie van der Stap heeft ervaren hoe louterend verveling kan zijn. Eindelijk komt een mens dan zichzelf tegen.

Als kind is er, behalve doodgekookte spruitjes, niets ergers dan verveling. Het is een raadselachtig verschijnsel: tussen legoblokken en barbiepoppen in niet weten wat je met je tijd aan moet, lusteloos rondhangen en niets te doen hebben. Buiten vriest ’t net niet hard genoeg om tussen de boten op het ijs te kunnen spelen, binnen zijn je televisie-uren al op. Maar meer dan vervelend is verveling nog niet. Pas als je tijd kostbaar wordt, ga je verveling zien als falen. In alles wat je doet, leef je er in een grote boog omheen: de agenda moet vol. Tegen je achttiende zijn er twee criteria die je agenda bepalen: leuk en nuttig. People & Opportunities.

Met commando-achtige trekken benut je je tijd. Je stampt je dagen vol met ‘momentjes’, en vergeet daarbij dat je je op die manier tot een slaaf van je eigen verveling maakt. Het beschermen van je tijd wordt een dagtaak: er mag geen enkele minuut verloren gaan. Metromomenten worden leesmomenten, een afstand die te voet moet worden afgelegd, wordt een wandelmoment, een afstand die snel te voet moet worden afgelegd, wordt een sportmoment, een break-up wordt een consumeerkans, lijden wordt een groeikans.

Je ouders kunnen trots op je zijn, voor vrienden ben je goed dinermateriaal, je hebt immers altijd wel wat meegemaakt, maar jezus wat vermoeiend.

Welkom in mijn leven – en dat van vele andere spirituele goudhaantjes. Als een Rupsje Nooit Genoeg eet ik me vol met ervaringen: ontmoetingen, pioniershavens, metropolen: ronddwalen doe je op z’n best in the centre of the universe. Maar zoals tijd gewoon is de dingen te veranderen, doet ze dat ook met mij. Voldoende People & Opportunities verder om in te zien dat de pot nooit op is, vraag ik me de laatste tijd af of het eigenlijk wel zo saai is – verveling. En of ik er wel goed aan doe het voortdurend te ontvluchten. Is verveling echt zo saai als we denken? En als het meer is dan dat, wat is dan het potentieel van verveling?

Om daarachter te komen, moeten we eerst weten wat verveling dan wel zou zijn. Er is een bekend verschijnsel in de schilderkunst dat we voornamelijk tegenkomen in stillevens. De schilder schildert het schilderij zo vol aan overbodige versieringen dat er geen enkele lege plek overblijft. In de architectuur komen we hetzelfde verschijnsel tegen. Denk aan barok; deurportalen werden vol gehangen met krullen en ornamenten die geen enkele functie hadden. En logischerwijs komen we het ook in onze eigen levens tegen. We plannen onze agenda’s tot de nok vol. Dit verschijnsel heet horror vacui: de angst voor de leegte, ook wel de angst voor de dood.

Een vriendin schreef me eens dat ze bang is dat ze leeft bij de gratie van afleiding omdat het echte leven zoveel minder leuk is. Ik moest even nadenken wat dat echte leven dan wel was. Werk? Ze heeft een spannende, drukke baan vol uitdagingen. Vrienden? Ook daar heeft ze er te veel van. Liefde? Idem dito. Er bleef maar één ding over: zichzelf. De enige die nog niet aangekomen was op de plek van bestemming. Stil komen te staan op de ring. Je kent het wel: je wilt naar binnen, het centrum in, maar het lukt niet. Natuurlijk is het daar op de ring al voldoende om relaties aan te gaan, gewoon omdat mensen dat nou eenmaal doen, en als het even kan à la Bovary: met veel gehunker en gemijmer tussen de bedrijven door.

Natuurlijk is het daar op de ring ook leuk jezelf aan te kleden als een playboy bunny omdat de organisatie van het feestje weer eens zo creatief moest zijn en jij de beroerdste niet wil zijn. Op reis gaan naar Curaçao – vanaf diezelfde ring bezien zo Hollands nog niet. Drankjes drinken om het drankjes drinken. Ach, wat kun je daar op de ring toch druk zijn met druk zijn, alles om de verveling maar niet te voelen. Verveling die niet meer alleen saai is, maar nu ook eng. Wie weet wat je daar allemaal tegenkomt, op de ring. Het kan niet anders dan dat deze verveling existentieel is – ze is er altijd. En dit jezelf omringen van voortdurende afleiding, leuke of minder leuke, is daar een directe uiting van. Wat ons terugbrengt bij de vraag of we het überhaupt wel zouden moeten willen ontvluchten; nu we weten dat het existentieel is, kunnen we misschien ook het potentieel van verveling aanwijzen.

Voorop staat dat zich vervelen een luxueuze bezigheid is. We vervelen ons met zijn allen dan ook steeds meer, stelt de Noorse filosoof Lars Svendsen in zijn essay A Philosophy of boredom. Aan niets doen, zonder gevecht tegen het leven, zonder enige zorgen achterover kunnen hangen op de bank, ga je dood: de valkuil van het verwende rijkeluiskind. Vastkleven in comfort, dat had Flaubert bijvoorbeeld kunnen doen. Of Maupassant. En George Sand ook. Allemaal geboren in kastelen van huizen. Flaubert werd tegen zijn zin naar een rechtenuniversiteit in Rouen gestuurd, familietraditie. Een epileptische aanval heeft hem gered van de rechtbank: hij werd naar huis gestuurd en moest uitrusten. Dit kwam de nog jonge Flaubert goed uit: hij had alle tijd om te schrijven. Zonder financiële zorgen, bureaucratische rompslomp en dagelijkse ergernissen is het lekker denken. Flaubert heeft Madame Bovary in vijf jaar geschreven en deed soms een week over een passage. Een heel ander ritme dan Balzac, die een honderdtal romans schreef voor La comédie humaine. Dumas maakte van zijn bureau een productiehuis en had verschillende schrijvers in dienst om de productie van zijn romans hoog te houden. Maupassant lag dan wel vaker in de armen van verleiding dan in de inkt van zijn typemachine, zijn gouden wieg heeft hem gespaard voor een leven waarin hij moest werken om te overleven.

Verveling kan dus ook een constructieve kant opbuigen. In plaats van je te verliezen op eBay op zoek naar, ja naar wat eigenlijk, in een seizoen van Gossip Girls dat je nichtje heeft laten liggen of in die ouwe trouwe Facebook-commune zou je zomaar wereldliteratuur kunnen schrijven. I’ve got a great ambition to die of exhaustion rather than boredom, zei Thomas Carlyle, een Schotse schrijver uit de 19de eeuw. Inderdaad.

Toen ik in het ziekenhuis terechtkwam met overleven als enige dagtaak werd ik – ik gebruik bewust de passieve vorm – losgesneden van al die dingen die mijn dag druk maakten: studie, baantjes en dating. Een ironische worsteling met tijd volgde: ik lag mij te vervelen, op een moment dat mijn tijd heel kostbaar was. Ik ging dus op zoek naar iets om die tijd te benutten: rijlessen buiten de ziekenhuis-uren om, en de Russische bibliotheek om horizontale uren in het ziekenhuis te benutten. En ja? Waarom niet ook een cursus Russisch? Maar chemo en Russisch gingen niet samen en in mijn rijlessen scoorde ik ook maar nauwelijks vooruitgang. Toch was het nog niet verloren: chemo en verveling vormden wél een succesvol huwelijk. Pas toen ik de verveling accepteerde, kwam ik mezelf tegen. Dat deed pijn, maar het gaf ook een geluk: ik begon zomaar een manuscript te schrijven. Dat verveling ook een vorm van benutten kon zijn, was nooit in mijn hoofd opgekomen.

Terug naar de ring: je staat er immers nog steeds stil te staan. Stel je eens voor dat je je losmaakt van alle Bovariaanse ingewikkeld-heden en dat je alleen met jezelf overblijft. Wat een verschrikking moet dat zijn. Maar toch… Stel je eens voor. Wat is het ergste wat je daar kan gebeuren als je alle afleiding stopzet? Inderdaad: het ergste wat je kan gebeuren is jezelf. Jezelf en die knagende stilte. Aan jou wat je ermee doet.