Sasnal perfect op z’n plek in naziburcht

Wilhelm Sasnal: ‘Gaddafi’ (2011), 80 × 110 cm, olie op canvas

Wilhelm Sasnal. T/m 13 mei, Haus der Kunst, München. Inl: hausderkunst.de

Soms is context (bijna) alles. De grote Wilhelm Sasnal-tentoonstelling, die nu te zien is in het Haus der Kunst in München, hing een paar maanden geleden nog in de Whitechapel Gallery in Londen. Dat was geen prettig gezicht: Sasnal, misschien wel het grootste, maar ook het meest omstreden schilderstalent van het laatste decennium, viel er behoorlijk door de mand. De expositie was bleek, decoratief, er zat geen verband in en Sasnals doeken leken zwaar te leunen op een hip soort suggestieve kaalheid. Luc Tuymans light, zeg maar – au.

En kijk nu eens.

Nu diezelfde tentoonstelling (met een paar significante veranderingen) in München hangt, valt alles op zijn plaats. Sterker nog, terugkijkend lijkt het bijna een bijzondere prestatie dat ze er in Londen in slaagden het geheel zo te vernachelen.

Zie de manier waarop Sasnal (Tarnów, Polen, 1972) is geobsedeerd door geschiedenis, met name die van zijn thuisland, maar (bijna) vanzelfsprekend ook die van buurland Duitsland. Zie ook de mate waarin zijn schilderijen gaan over manipulatie van beeld door de media, maar ook over de verhouding tussen fotografie en schilderkunst. En zie de onmacht om je daar als individu toe te verhouden (prachtige, ongrijpbare schilderijen van zijn eigen gezin en het historisch beladen landschap waarin hij woont).

Vaak verwijst Sasnal naar gebieden waar dezelfde manipulatieve mechanismen plaatsvinden als in de Poolse geschiedenis en het is opvallend hoe moeilijk je daar grip op krijgt, zelfs als je er historisch gezien met je neus bovenop staat – neem Libië.

De verklaring voor die grote omslag ligt voor de hand. Sasnals werk, zijn thematiek, passen perfect in het Haus der Kunst. Een enorm gebouw uit 1937 met zwaar-fascistische architectuur, waar Hitler hoogstpersoonlijk door de zalen dwaalde en waar de geschiedenis van het nazisme als damp van de wanden slaat. Niet alleen lijken zowel Sasnal als de samenstellers van de tentoonstelling daardoor sterk te zijn geïnspireerd (alles hangt vlijmscherp, elk werk versterkt het andere), maar de omgeving doordringt je er vooral van hoezeer Sasnal een oeuvreschilder is.

Dat is namelijk waar het de afgelopen jaren vaak misging en wat de twijfel van de Sasnal-bashers voedde: doordat zijn doeken zo losjes zijn geschilderd, zo nadrukkelijk balanceren op de grens van gemak en gemakzucht, roepen ze nogal snel ergernis op als je ze tegenkomt bij zo’n chique galerie op een patserige beurs. Nu, in München, is het of Sasnal thuiskomt – of beter: de tentoonstelling is diep doortrokken van het besef dat een oer-Poolse schilder er succesvol in slaagt het domein van de voormalige vijand te penetreren.

Neem het fantastische Pigsty (2011): een reeks langgerekte, lage schuren in een kaal landschap die onmiddellijk doen denken aan de barakken van een concentratiekamp – maar het zijn varkensstallen. Of zie de schilderijen die Sasnal maakte naar aanleiding van Maus, Art Spiegelmans klassieke strip over de Jodenvervolging. Deze doeken hangen nu trots en confronterend op een kopse wand, zodat je er recht tegenaan loopt. Rillingverwekkend: de doeken van een Pool over een strip van een Amerikaanse Jood, die nu pronken in de Hitlers voormalige cultuurburcht. En zo gaat het door, alsof Sasnal de geschiedenis van Duitsland, Polen en misschien wel de hele wereld langzaam tot het kookpunt opstuwt.

Wilhelm Sasnal in het Haus der Kunst is dus een bijzondere ervaring, zeg maar gerust een evenement. Tegelijk stemt het geheel ook melancholiek: beter dan hier, op deze plek, wordt Sasnals werk ongetwijfeld nooit meer getoond. De geschiedenis herhaalt zich nu eenmaal niet, al weet een kunstenaar als Sasnal die suggestie nog zo krachtig te wekken.