Ik heb geen kind, dus noem mij geen mama

Monica de Ruiter wil vrouwen zonder kinderen ook moeder noemen. Van zulke flauwekul krijg ik zin om bh’s in de fik te steken.

Op de een of andere manier lukt het mij niet om met spandoeken te lopen. Tijdens de laatste demonstratie die ik bijwoonde, maakte ik meer cynische opmerkingen over de demonstratie dan over waar we tegen moesten zijn. De druk van een groep mensen die allemaal hetzelfde moeten vinden zonder ruimte voor nuance, geeft mij de puberale behoefte iets radicaal anders te willen vinden.

Zo roepen ook de woorden ‘feminisme’, ‘gender’ en ‘Vrouwendag’ bij mij een intense vermoeidheid op. Een overdaad aan mensen om me heen constateert dat vrouwen nog steeds lagere lonen hebben dan mannen en dat het ideaalbeeld van het vrouwenlichaam vervormd is. Ik wil dan het liefste zeggen dat vrouwen cupcakejes moeten bakken, gewoon graag voor mannen willen zorgen en niet stoer horen te zijn. Ook als ik dat niet vind. De waarheid zit ergens in een genuanceerd midden, waar ik cupcakejes bakken verafschuw, maar ze best wil opeten, en gewoon bier drink, maar wel eens wat erotisch kapitaal in zou durven te zetten. Van dat laatste weet ik nog steeds niet of het wel of juist niet feministisch is.

De mening van Monica de Ruiter (Opinie, 29 februari) wakkerde bij mij daarentegen oerfeministische gevoelens aan. Ze schrijft over de problemen van vrouwen met tikkende klokken die (nog) geen kind kunnen krijgen. Daarbij gaat ze ervan uit dat de latente kinderwens bij iedere vrouw uiteindelijk tot volle wasdom komt. Tussen kinderrijke vrienden doet zij ons smachten naar een eigen object om voor te zorgen, terwijl we pijn lijden wanneer we geen kinderen hebben, kraamvisites gaan ontwijken uit schaamte en ons bij plechtigheden zonder een kind als accessoire losers voelen.

Daarom stelt De Ruiter voor om de druk voor wensmoeders van de ketel te halen door voortaan te spreken over ‘moeders-met kinderen’ en ‘moeders-zonder kinderen’: „Dat al die keren dat een vrouw buurjongetjes aan haar rokken heeft hangen, dat ze haar beste vriend troost die zijn vader is verloren, dat ze kookt voor overspannen vriendinnen, of dat ze fysieke offers doet om zelf wel of niet zwanger te worden, dat ze dan, los van of het lukt of niet lukt, allang goed genoeg is. Dan kan ze op elke vergadering, ieder feestje zeggen tegen al die trotse dikke buiken, zeurende exen, behoeftige grootouders of meelijwekkende blikken: ‘Ik heb misschien (nog) geen kinderen, maar ik ben wel een goede moeder.’”

Tegen dergelijke naïeve en ongenuanceerde woorden kun je bijna alleen nog maar ongenuanceerde ondoordachtheid stellen. Het doet me bh’s willen verbranden, lichaamshaar willen doen groeien en willen oproepen moeders gewoon ‘vrouwen’ te noemen – want ze zijn toch meer dan alleen moeder? Maar laat me het even proberen. Dat sommige vrouwen gewoon geen behoefte hebben om uren over luiers en kinderdagverblijven te praten, zich geen losers voelen zonder moeder te zijn en geen zin hebben om anderen te verzorgen, is blijkbaar geen optie. Dat iemand moeder noemen terwijl ze dat niet is haar ongeluk geenszins zal oplossen of dat vrouwen – moeder of niet – liever niet gereduceerd willen worden tot moeders, bedenkt De Ruiter blijkbaar niet.

Als Monica de Ruiter dat graag wil, vind ik het niet erg om haar moeder te noemen, maar mijn buurkinderen moeten het niet wagen aan mijn rokken te gaan hangen, vrienden met liefdesverdriet zullen een andere vrouw moeten vinden om troosttaartjes bij te eten, en ik hoop niet dat iemand op het idee komt mij moeder te noemen voordat ik dat ben.