Echte vrienden? Zoek 't liever bij je familie

Met vriendschap wordt gedweept waardoor we vergeten wat buren en familie voor ons betekenen. Een pleidooi.

Coen Simon

Filosoof

Op een zondagmiddag, aan het begin van de jaren negentig, probeerde ik samen met mijn vader een harmonium de trap op te tillen naar mijn eerste studentenkamer. Toen het ding halverwege het trapgat vast kwam te zitten, drukte ik op alle deurbellen links en rechts van onze voordeur. De student die in het bovenhuis naast mij woonde, deed open en hielp ons het antieke orgel over de trapleuning heen te wippen.

Ik bood de jongen een kop koffie aan. Hij zat in het laatste jaar van zijn studie psychologie en ging, net als ik in die tijd, alternatief gekleed. Tot mijn negentiende had ik bij mijn ouders gewoond in de bossen aan de rand van een Gelders dorp. Geen onprettige omgeving voor een kind, maar vrienden liep je er niet zomaar tegen het lijf. En daar keek ik dan ook het meest naar uit in mijn kamer in de stad: spontaan contact, vrienden vinden, gelijkgestemden, echte vrienden.

De psychologiestudent vroeg of ik wilde meedoen aan een onderzoek dat hij voor zijn eindscriptie deed. Zo ontmoet je dus vrienden, dacht ik opgetogen. Op een avond later die week zat ik bij hem aan tafel. De tafellamp scheen op een wit vel met in het midden een rode stip. Voor het onderzoek was het beter als ik niet wist wat het doel van het onderzoek was, legde hij uit. Die rode stip dat was ik, en met een groene stift moest ik aangeven hoever mijn beste vrienden van me af stonden.

Ik kan me niet meer herinneren welke samenstelling van vrienden ik op papier zette, ik weet alleen nog dat de buurjongen teleurstellend weinig op de hoogdravende ideeën over vriendschap inging die ik in de eerste maanden van mijn studie filosofie bij elkaar had bedacht.

Deze ontmoeting leidde in elk geval niet tot een vriendschap, we hebben elkaar nog twee keer gegroet in de buurtsupermarkt en op een dag woonde er iemand anders op zijn kamer.

Mijn hooggespannen verwachting van vriendschap was natuurlijk het gevolg van de late adolescentie. Vriendschap, ontdekte ik gaandeweg, blijkt tamelijk banaal. Ze komen, ze gaan, en sommigen blijven. Bij iedere verhuizing is de constellatie van helpende handen weer anders. Veel meer is daar niet over te zeggen, zou je denken. Maar dan heb je het mis. De bladen staan er vol van. Vrienden zijn niet meer wat ze geweest zijn. En dan bedoel ik niet dat je moeder ook je ‘vriend’ kan zijn op Facebook. Over de economisering van het sociale leven is al veel gezegd en geschreven, we moeten ons meer zorgen maken over een andere ontwikkeling: de romantisering van vriendschap. Want wat bij mij gelukkig beperkt bleef tot mijn puberjaren, het dwepen met vriendschap, blijkt een hardnekkige neiging in onze cultuur. Het hebben van goede vrienden en het zelf een goede vriend zijn, zijn in de mode, een kunst, een levenskunst. Een goede vriendschap is geen zegen, maar een doel op zichzelf. Hoog op het lijstje van de goede voornemens staat ieder jaar ‘meer tijd besteden aan mijn vrienden’.

Over vrienden wordt gesproken als over helden. Je moet er ‘in tijden van crisis’ bij terecht kunnen. Vriend-zijn ‘schept ook verplichtingen’. Een vriend is, schrijft presentator Leon Verdonschot in de Esquire van deze maand, iemand die „zonder enige reserve voor jou kiest”. Een vriendschap tussen mannen gaat in zijn ogen zelfs verder dan een liefdesrelatie. Met ex-geliefden kun je namelijk nog bevriend blijven, maar „een ooit dierbare vriend kan nooit meer een kennis worden, of een ‘vriendje’. Het is alles of niets”.

Alles of niets, heroïscher kan het niet. In dit gedweep worden niet zelden ook de filosofen Aristoteles (384-322 v. Chr.) en Montaigne (1533-1592) aangehaald. Zij staken de loftrompet over een bepaalde vorm van vriendschap tussen twee mannen. In de ogen van Aristoteles kan deze relatie een vorm van volmaaktheid bereiken. Volgens Montaigne overstijgt deze relatie dat „wat wij gewoonlijk vrienden en vriendschappen noemen”. Iets wat niet meer is dan „een door een of ander toeval of voordeel tot stand gekomen bekendheid of vertrouwdheid met iemand”.

Maar de denkers worden romantischer gelezen dan ze feitelijk geschreven hebben. Montaigne had het namelijk niet over vriendschap in het algemeen, maar over één vriendschap in het bijzonder: de toevallige vriendschap die hij had gekend met Etienne de la Boétie. Een vriendschap die weliswaar uitsteeg boven alle andere vriendschappen die hij zich kon voorstellen, maar die hij niet tot norm voor vriendschap nam. Dat zou onredelijk zijn, volgens hem komt zoiets hooguit eens in de driehonderd jaar voor. Bovendien, hoe kun je zoiets nastreven? Het enige wat Montaigne over zijn affectie voor La Boétie kon verklaren, bleef steken in „Omdat hij het was; omdat ik het was.” Een zegening kortom, maar zeker geen richtsnoer voor het goede handelen.

Aristoteles schrijft wel in algemene termen over de volmaakte vriendschap – een wederkerige affectie tussen twee goede mensen. Maar Aristoteles weet ook: „De wil tot vriendschap komt snel, maar de vriendschap zelf niet.” Vooral adolescenten, schrijft hij, willen graag vrienden en wisselen snel van vrienden.

Waar door de vriendschapsverheerlijkers van onze tijd echter overheen wordt gelezen, is dat bij Aristoteles minder volmaakte vormen van vriendschap nog steeds echte vrienden opleveren. Want ook in een relatie die het nut of het genot als doel heeft, bestaat vaak „wederkerige affectie waarvan de betrokkenen zich bewust zijn”. Niks vrienden voor het leven. Vrienden voor heel even, kunnen ook echte vrienden zijn.

Het probleem is dat al het heroïsche gepraat over ‘echte vrienden’ intussen iets anders verhult: de veronachtzaming van de vele andere sociale relaties die voor een samenleving van belang zijn. Familiefeesten, verjaardagen of het avondeten met het gezin – het zou niet meer van deze tijd zijn. Voor je familie heb je namelijk niet gekozen, voor je vrienden wel, dat is de leuze. En dus ga je voor je vrienden door het vuur, niet voor je tante of je buurman. Ik zou zeggen, het vraagt in deze tijd meer moed om contact te onderhouden met de buurt en met de familie dan met je vrienden. Bij iedere verhuizing, ik zei het al, was de constellatie van helpende handen weer anders, maar mijn vader en mijn broer hielpen altijd.

In hetzelfde huis waar ik mijn harmonium naar binnen droeg, werd ik bedrogen door mijn vriendin die aanpapte met mijn beste vriend. Twee weken heb ik getreurd, bij mijn ouders thuis. Uiteindelijk legde ik me bij het lot neer. Ik ben inmiddels gelukkig getrouwd en zij die mij bedrogen, zijn dat ook al jaren. We zijn nog altijd bevriend, en daar is niets heldhaftigs aan.