De wereld ter hoogte van kont en kruis

Wie de wereld beziet vanuit een rolstoel komt tot een heel eigen kijk op de medemens. ‘Naarmate de gesprekken boven mij heftiger worden, neemt beneden het darmgerommel toe.’

‘Eentonig vind ik mijn uitzicht zelden. Kont en kruis, vooral in de winter bedekt met textiel in soorten en maten: zelden is het eenheidsworst.’ Foto’s Viva Blog en Boris Badenov

Dat het geen prettige hoogte moet zijn waarop ik doorgaans verkeer, constateert een opmerkzaam mens dat een tijdje met mij van doen heeft regelmatig. Is mijn uitzicht niet eentonig, of zelfs naar, luidt de vraag die er, heel empathisch, nogal eens op volgt.

Ik verkeer op kruishoogte. Mijn oog valt dan ook – afhankelijk van of iemand mij tegemoetkomt of van mij vandaan gaat – eerst en vooral op iemands kruis of kont.

Dat hier een doorgewinterde geilaard aan het woord is, denkt u wellicht. Een die er nog rond voor uitkomt bovendien. Moet je maar durven, in steeds preutser wordend Nederland. Maar nee, ik heb geen libertijnse hobby, of een dwingende obsessie. Ik ben gewoon klein, ik bekijk de wereld op rolstoelhoogte en woon in een grote stad. Dan krijg je dat.

Konten en kruizen (een hypercorrect mens spreekt liever van het ‘tussenbeense’) belemmeren mij het uitzicht: vaak, heel vaak, vooral in warenhuizen, bij popconcerten, demonstraties en recepties en in lange rijen bij bioscoop of theater. Laat ik vooral de spitsuren in metro en trein niet vergeten. Allemaal situaties waarbij ze mij insluiten, die konten. Ik voel me ingepakt.

Gelatenheid neemt bezit van me. Bij langer dan een kwartier ingepakt zijn, bereik ik vanzelf de staat van zombie. Je kunt het ook (klinkt sacraal) overgave noemen, alsof ik op zo’n moment mijn hogere zelf aanspreek. Ik houd het op lijfsbehoud. Wie niet sterk is, moet liefst een beetje meebewegen met de meute. Zo niet, dan gaat mijn bril eraan (zou niet de eerste zijn), of breek ik mijn neus.

Ik kan niet zien wat er om me heen gebeurt, dus er valt niks te anticiperen en ik kan geen kant op. Het is alleen hopen dat ik mijn doel (een kaartje, de zaal, de kassa, de hand van het feestvarken, mijn eindbestemming als het om reizen gaat) daadwerkelijk en ongeschonden bereik.

Luisteren doe ik des te beter, vooral in trein en metro. ‘Hoog boven mij ’ worden vaak de meest intieme en bizarre gesprekken gevoerd. Terwijl mannen de werkdag doornemen – ook per telefoon – strategietjes bespreken om een collega een toontje lager te laten zingen, gaat het bij vrouwen vaak over hun liefdesleven en de onvermijdelijke sores. Tussen de bedrijven door nemen ze elkaar fijntjes de maat.

Naarmate de gesprekken boven mij heftiger en emotioneler worden, neemt beneden het darmgerommel toe. De spijsvertering wil wel eens een tandje bijzetten bij spannende onderwerpen. Steeds meer ontsnappende gassen benemen me de adem.

‘Adem in, adem uit, het is maar lucht en van voorbijgaande aard’, spreek ik mezelf toe. Maar hoe stevig ik mezelf ook toespreek, als het om liezenlucht en kruisgeur gaat, lukt het me niet mezelf als zombie terug te trekken. Vooral ’s zomers in de spits drijft de geur (jawel, we blijven beschaafd) me soms al bij de eerste de beste halte de metro uit.

Eentonig vind ik mijn uitzicht overigens zelden. Kont en kruis, vooral in de winter bedekt met textiel in soorten en maten: zelden is het eenheidsworst. Een geoefende kijker leest al snel iets over maatschappelijke ontwikkelingen eraan af. Alleen al aan de vorm, de Schwung, of juist de samengeknepen bilspieren en de bedekking van een kont kun je het nodige aflezen. Zoals leeftijd, status, mode- en lichaamsbewustzijn, of het volstrekt ontbreken daarvan, danwel ijdelheid en andere karaktereigenschappen. De kont van een mannelijke Pietje Precies onderscheidt zich bijvoorbeeld duidelijk van die van de sloddervos. Pietje heeft ook op zaterdag geen vlekken op het zitvlak. En het randje van zijn kontzak is nooit vettig bruin, zoals bij de sloddervos. De Überhippe jongeman (vaak tegelijkertijd type Pietje Precies) pronkt graag met zijn geslacht. Op de plek van zijn ballen is de jeansstof valer van kleur. De ballen zijn als het ware ‘uitgelicht’. Vaak ook is nog een derde, de iPhone-bobbel, uitgelicht. Het ontstaan van zo’n verbleekt jeansreliëf laat zich raden. Zou het resultaat kunnen zijn opwinding, maar ik houd het op een schuursponsje.

Elk jaar weer neemt het aantal dikke en hele dikke konten en brede kruizen toe. De Nederlander groeit in razend tempo in de breedte. Vooral de pantalon ‘zit’ niet meer bij dikke mensen, vrouw én man, van middelbare leeftijd. Maatkleding is wellicht de oplossing, maar in deze crisistijd kunnen dikke mensen beter aan de boubou gaan, zo’n frisse herenjurk met wijde mouwen die veel in West-Afrika wordt gedragen.

Intussen tekent zich nog een andere ontwikkeling af. De Nederlander wordt langer en langer. En ik, ik word ouder en krimp. Regelmatig kijk ik tussen het kruis of onder de kont door. Het vormt als het ware een poort naar de wereld. Zeker is dat mijn uitzicht in de toekomst ruimer kan worden (al zit een boubou dan in de weg). Of dat gunstig is, weet ik zo net nog niet. Die poort naar de wereld zou ook tot tunnelvisie kunnen leiden. Of ik daarmee nu zo blij moet zijn?