De onvermijdelijke teleurstelling van het reizen

Reizen is voor jonge mensen bijna een sociale verplichting. Rutger Lemm schaamde zich dus, toen hij het nog geen week uithield in Iran.

Rutger Lemm

In de zomer van 2009 vertrok ik in mijn eentje naar Iran. Ik zou via Griekenland en Turkije naar het land van ayatollahs trekken, zo had ik bedacht. De Groene Revolutie was over haar hoogtepunt heen, maar de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken vaardigde nog altijd een negatief reisadvies uit. Een groep vrienden die een maand eerder zou gaan, annuleerde de reis en mijn ouders maakten me in een serieus gesprek duidelijk dat ze zich zorgen maakten. Maar met een laatste restje puberale opstandigheid zette ik mijn plannen door.

Ik vloog naar Athene zonder dat ik een moment goed had nagedacht over wat me te wachten stond, in een naïeve volharding. Ik was toch een wereldburger? Ik had toch vaker alleen reizen gemaakt? Ik was toch al eens in het Midden-Oosten geweest, met mijn studiereis door Tunesië en Libië? Mijn vrienden reisden toch allemaal de halve wereld over?

Twee weken later kwam ik doodongelukkig terug. De overgang van West naar Oost was heel geleidelijk gegaan, via Athene, Thessaloniki en Istanbul naar Tabriz. Maar na vijf dagen in politiek gespannen Iran, met al mijn geld cash in een lullig tasje op mijn buik omdat het land is uitgesloten van het internationale bankensysteem, zonder geschikte simkaart voor mijn mobiele telefoon, de taal onmachtig en onbekend met de gebruiken, vluchtte ik in paniek naar huis. Ik had me zo goed mogelijk voorbereid, veel gelezen en gepraat met mensen die eerder deze reis hadden gemaakt, maar in de praktijk kon ik het niet aan. Ik werd gek van het isolement waarin ik de hele dag verkeerde, van de stress veroorzaakt door de permanente onzekerheid, de onderhandelingen, de machocultuur, mijn kwetsbaarheid.

Eenmaal thuis voelde ik me als de broer van Berry Kooijman in Kees van Beijnums De Oesters van Nam Kee, die bang terugkeert van een wereldreis en stiekem bij zijn ouders woont. Het was een persoonlijk falen, dat niet paste bij de persoon die ik wilde zijn. Mijn overgrootopa was een Hongaar die met een dweilorkest door Europa trok en uiteindelijk in Den Haag strandde. Een van zijn zoons, mijn opa, voer als elektricien op handelsschepen de wereld over. In mijn eigen opvoeding was cultuurrelativisme een gegeven en discriminatie een van de grootste kwaden. Ik had niets met mijn Nederlanderschap, behalve wanneer het Nederlands Elftal speelde. De News Feed van mijn Facebook-account stroomde dagelijks vol met vakantiefoto’s van de verste uithoeken van de aarde, waarop mijn vrienden intens gelukkig glimlachten naar de camera.

Waarom kon ik het dan nog geen week in Iran uithouden?

De reiziger die besluit om zijn culturele grenzen over te steken, komt terecht in een paradoxale situatie: of hij accepteert zijn rol als buitenstaander en neemt plaats in de gemaakte ervaring van de toeristencarrousel, of hij probeert buiten de begane paden te treden en ‘echt’ op bezoek te zijn – wat vaak toch weer een toeristenervaring blijkt. In Oost-Iran bestond geen toeristische industrie en kon ik dus eindelijk het authentiek soort contact met een andere cultuur hebben, zoals ik Michael Palin dat jarenlang op tv had zien doen. De Iraniërs waren nog oprecht nieuwsgierig naar westerse bezoekers en zeer gastvrij. Maar de ervaring van de echte vreemdeling, zonder bustours, zonder mede-backpackers met hun „Where you from?”-praatje, zonder enige aansluiting met het thuisfront, bleek een saai en moeizaam proces te zijn.

Ik viel dankzij mijn donkere uiterlijk ook nauwelijks op. Ik was te goed geïntegreerd, een westers geklede Iraniër: mensen spraken tegen me in het Farsi of negeerden me zoals ze alle andere onbekende voorbijgangers negeerden. Ik zag me genoodzaakt om voortdurend met mijn Lonely Planet voor mijn gezicht te gaan lopen, om maar uit te stralen hoe hulpeloos en anders ik was.

Nu was er in het geval van mijn reis naar Iran sprake van een extreme situatie op een uitzonderlijk moment. Maar ik had dichterbij huis, tijdens mijn uitwisselingssemester in Berlijn, al gemerkt hoezeer ik de impact van culturele verschillen kon onderschatten. Hoewel het leven in de Duitse hoofdstad me heel goed beviel en ik mijn best deed om de taal te beheersen en de stad van binnen en buiten te kennen, bleef ik een heel duidelijke afstand tot het echte inwonerschap voelen. Ik was geen bezoeker, maar ik was ook niet thuis. De kilheid van de cynische Berlijners, die gek werden van al die hippe twintigers die hun stad opeens tot Walhalla uitriepen, hielp ook niet mee, en alles wat ik ooit over het Duitse gevoel voor humor had gehoord bleek waar te zijn. De andere studenten van het Erasmusprogramma gingen alleen maar met elkaar om en de voertaal veranderde al snel in Engels. Iedereen was een beetje eenzaam en verlangde steeds vaker hardop naar huis. De meisjes kwamen allemaal enorm aan, soms schrok je je kapot als je op Facebook oude foto’s van hen zag. In twee maanden keek ik alle zeven seizoenen van de serie Scrubs.

Zelfs van vrienden die in België gingen studeren en daar jarenlang woonden, hoorde ik verhalen over de moeizame omgang met die stugge zuiderburen en een constante heimwee. Bij hen proefde ik dezelfde teleurstelling die ik voelde na mijn Iran-reis; alsof er iets anders beloofd was. Onze ouders maakten zich zorgen of we wel goed zouden eten en of we niet overvallen zouden worden, maar ze zeiden niets over de vaak subtiele verschillen die een cultuur ondoordringbaar kunnen maken.

Mijn leeftijdgenoten en ik zijn daarnaast opgegroeid in een tijd waarin het reizen dankzij een gegroeide welvaart en verbeterde vervoerstechnieken tot een levensstijl kon verworden, een sociale verplichting bijna. Denk maar aan het bijna gebruikelijke ‘jaartje reizen’ na het eindexamen. De lyrische verhalen op waarbenjij.nu-blogs leken ook te suggereren dat reizen alleen maar leuk en gemakkelijk is. Ook hier sprak een belofte uit die niet strookte met onze ervaring, met de momenten van onbestemd onbehagen die ons soms overvielen.

De belofte was dat je afkomst loslaten gemakkelijk is. De naoorlogse idealen waren zo mooi dat ze geen ruimte lieten voor eventuele complicaties. Onze teleurstelling staat op deze manier symbool voor de mislukte integratiepolitiek van de jaren negentig, voor de scheuren in de Europese Droom, voor de terugkeer van de nationale trots. Vroeger dacht ik dat ik tijdens mijn leven op vele plekken over de hele wereld zou wonen. Nu weet ik dat niet meer zo zeker. Dat is het gevaar van een al te gemakkelijke voorstelling van zaken: als het in de praktijk toch moeilijker blijkt, is de verontwaardiging des te groter. Je bent niet alleen opgelicht, je dacht ook nog even dat het je eigen schuld was, dat jij tekortschoot.

Betekent dit dat je je kamer nooit meer moet verlaten, dat je het idee van integratie maar helemaal terzijde moet schuiven en je eigen cultuur tot religie moet verklaren? Natuurlijk niet. Het grootste deel van het reisideaal is waar: het is goed om uit je comfort zone te komen, je leert veel van andere levensstijlen, het is goed voor je volwassenwording. Bovendien zijn die moeilijke momenten vaak ook heel waardevol, omdat je merkt waar je grenzen liggen. Ik heb ook geen spijt van mijn reis naar Iran. Maar het zou helpen als die moeilijkheden vaker erkend zouden worden, zodat we niet meer naïef vertrekken naar een onvermijdelijke teleurstelling en werkelijk verrijkt kunnen terugkeren naar dat fijne vertrouwde thuis.