Dankzij ‘Lonely Planet’ de Dom op

Reisgids Lonely Planet roept Utrecht uit tot miskende stad. Utrechter Leendert van der Valk vreest een stormloop van toeristen, maar wordt ook verleid tot een Dombezoek.

Lonely Planet heeft Utrecht een kunstje geflikt. De uitgever van reisboeken zette de stad vorige maand op nummer zes in een top-10 van miskende steden wereldwijd. „This graceful city is bizarrely under-visited.” Dat lijkt een aardig gebaar, maar het heeft een dubbele bodem. Want Utrecht is waarschijnlijk zo graceful juist doordat er weinig toeristen komen. Dat zou nu wel eens voorbij kunnen zijn.

Bij de VVV op het Domplein maken ze zich geen zorgen, daar zijn ze erg in hun nopjes met het lijstje. Susanne Canisius, verantwoordelijk voor de pers en communicatie bij Toerisme Utrecht, merkt na een maand zelfs al iets van een Lonely Planet-effect. Het is nog te vroeg om het in cijfers uit te drukken, „maar er is sinds die lijst meer buitenlandse interesse in Utrecht. Het is voor het Lonely Planet-publiek natuurlijk belangrijk, want die mensen zoeken juist de onontdekte plekken.”

De timing kwam het toeristenbureau goed uit, want Utrecht had zich dit jaar juist voorgenomen meer in te zetten op buitenlandse toeristen. Jaarlijks worden er nu 422.000 overnachtingen geboekt en dat moeten er meer worden. Ter vergelijking: in Amsterdam zijn dat er bijna 10 miljoen. Canisius bezweert dat er geen dubbeldekkers vol toeristen door Utrecht zullen gaan rijden. „Daarvoor is het centrum te compact, dat is juist de charme van de stad.”

Toch ben ik er als Utrechter niet gerust op. Toegegeven, het eerste wat ik dacht bij dat lijstje was: eindelijk! Utrechters zijn nu eenmaal de Calimero’s onder de Nederlandse grootstedelingen. Maar direct daarna dacht ik: sssst! Straks komen ze nog echt kijken of het hier werkelijk zo leuk is.

Wat zouden toeristen hier eigenlijk te zoeken hebben? Afgaande op de prullaria in de VVV-winkel is Nijntje de mascotte van de stad. Met name Japanners en Chinezen zijn fan van geestelijk vader Dick Bruna, ze bezoeken zijn museum bij bosjes. Net als het Rietveld Schröderhuis. Maar de absolute nummer één van Utrecht, ik was hem bijna vergeten, is natuurlijk de Dom.

Ik zal maar open kaart spelen. Ik groeide op onder de rook van Utrecht, woon nu acht jaar in de stad en was correspondent hier ter stede voor deze krant, maar ik beklom nooit de Dom. Zoals dat gaat, speel je niet zo snel toerist in eigen stad en op een bepaald moment werd het gênant. Uiteindelijk beklom ik de Dom nooit omdat ik liever niet vertelde dat ik nog nooit de Dom had beklommen.

Op vakantie in Triëst, de nummer één op de lijst, zou ik waarschijnlijk de kastelen en kerken bezoeken. In Arras, nummer twee, zou ik naar de gildehuizen kijken en de klokkentoren beklimmen. Dus nu ik er woon, moet ik in Utrecht maar eens de Dom op.

Op een waterkoude maartdag sta ik op negentig meter boven de stad. Van de twaalf andere bezoekers zijn er slechts twee niet-Nederlands. De gids vertelt dat de Utrechters die ze doorgaans naar boven loodst bijna altijd met dezelfde gêne als ik bekennen dat het hun eerste keer is.

Volgens het officieuze volkslied van deze stad zou ‘me hartsie’ nu open moeten springen. Want ‘als ik bovenop de Dom sta, kijk ik even naar benee, dan zie ik het oude graggie, het Vreeburg en Wijk C.’ Die zie ik, net als de andere hotspots waarmee Utrecht graag adverteert: de werfkelders langs de gracht, de kerken, de drukke studentencafés. Maar mijn hartsie gaat vooral tekeer door die 465 traptreden.

Ik zie mijn favoriete plek: de stille Nieuwe Gracht met haar oude huizen en werfkelders. Anders dan de Oude Gracht is ze grotendeels residentieel. Daar komt tot mijn verwondering en vreugde nooit een toerist. Maar hoe lang nog? „Misschien komt het door de verlokking van het nabije Amsterdam dat Utrecht weleens vergeten wordt”, schrijft Lonely Planet. Utrecht wil zich nu positioneren als standplaats om de hoofdstad te bezoeken, in plaats van andersom.

Mijn gids op de Dom, een rechtenstudente, kent de aanblik vanaf 90 meter goed en geniet nog elke keer van het uitzicht. Ze wijst in de grijzige verte. „Zie je die hoge gebouwen daar? Dat is de Zuidas. En de koepel daarnaast is de Amsterdam Arena. Van echte Utrechters mag ik daar nooit op wijzen.” Van mij wel, zeg het maar vaak en veel. In Amsterdam moet je zijn.