Spareribs

H et voorjaarsweer was te mooi om de fiets te laten staan. Toch moest het, noodgedwongen. Ik had een week terug een te grote stap gemaakt op een trap. Sindsdien haperde mijn knie. „Overstrekt”, zei de fysiotherapeut.

Even kalm aan doen.

Vanaf de bank keek ik gisteren toe hoe in Frankrijk en Italië werd gefietst. De profrenners toonden hun kunnen in de Tirreno Adriatico en Parijs-Nice. Ze droomden van een goed seizoen in de koersen van de hoop.

„O la la”, riep de Vlaamse verslaggever Michel Wuyts toen hij Bradley Wiggins zag trappen tijdens de afsluitende klimtijdrit in Parijs-Nice. Wiggins hield zijn bovenlichaam stil, alleen de benen bewogen. Zijn gezicht zat verscholen achter een aerodynamische zonnebril. Aan de achterkant staken plukjes haar uit zijn helm.

„Oei, oei!” Die uitroep was bedoeld voor Lieuwe Westra, de Friese coureur die Wiggins naar het leven stond. Hij stond tweede in het algemeen klassement. Halverwege de tijdrit had hij twee seconden voorsprong opgebouwd. Kregen we eindelijk weer eens een Nederlandse winnaar in een belangrijke meerdaagse koers?

Westra vloog aan het einde bijna uit de bocht. Aan de finish knarste hij met zijn tanden van de pijn. Alsof er een elastiekje doormidden moest. Wiggins was er nog niet. Hij zat op het puntje van zijn zadel. Door zijn shirt heen zag ik zijn borstkas op en neer gaan. Spareribs. Veel vet hing er niet aan.

Wiggins won.

„Er heeft nog nooit een Brit gezegevierd in Parijs-Nice”, zei een verslaggever. Toch wel. Een vroeg dode renner vergeet je niet. Tom Simpson won, in 1967. Hij stierf in hetzelfde seizoen in de Tour de France, vlak onder de top van de Ventoux.

Westra stond de pers in het Engels te woord. „He was stronger”, zei hij over Wiggins. „We will see”, meldde hij, toen het over zijn kansen in de Tour ging. Meer tekst had hij niet. Westra zat liever op de fiets dan achter een microfoon.

Ik lag al uren op de bank naar de televisie te staren. Overal bergen, zon, asfalt, fietsen. Kon ik nog ergens achterop zitten? Ja, bij De Renner op Nederland 2. Tim Krabbé beklom in Frankrijk de zwaarste col uit zijn beroemde boek. Collega-schrijver Abdelkader Benali reed met hem mee. De camera volgde de twee op hun tocht.

Het werd geen voorjaarsrit. De knieën van Krabbé en Benali zaten verpakt in lange zwarte pijpen. Om de torso’s wapperden regenjacks. Het was steenkoud. Net boven nul. Maar verdomme, zij fietsten tenminste.

In een steile haarspeldbocht zwalkte Krabbé van links naar rechts. Speelde hij de vermoeidheid? Wat onthulde zijn Amsterdamse mecanicien, een paar dagen eerder? „Tim is niet sluw, wel slim.”

Hoe konden literatuur en wielrennen zo mooi samensmelten? Krabbé dacht na en trapte ondertussen door. „Woorden, woorden, woorden”, riep Krabbé tijdens de klim. Ik dacht aan de sobere taal van Westra, een paar uur eerder na zijn tweede plaats in Parijs-Nice.

Tot twee keer toe memoreerde Krabbé het belang van uitgebeende zinnen, zoals in de eerste alinea van De Renner: Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.

Ik voelde aan mijn knie. Een beetje dik. Geduld. Nog even wachten en ik mocht weer op de fiets.