‘Papieren’ is het magische woord

Illegalen Ali en Amadu overleven in niemandsland. Ze kunnen niet blijven en ze kunnen niet weg. Ze dromen van werk, papieren, vrouwen, sleutels en remblokjes.

Amadu Diallo past op het huis. Als de bewoner terugkomt van vakantie, is hij weer dakloos. Foto Dirk-Jan Visser

„Als je aan me vraagt hoe het gaat, zeg ik: rustig. Ik wil anderen niet lastigvallen met mijn problemen. Trouwens, niet veel mensen vragen aan mij hoe het gaat. En mijn leven gáát rustig. Veel te rustig. Vorige week, ik fietste gewoon op straat, vloog het me opeens aan. Straks word ik aangereden en ga ik dood. Dan heb ik niets kunnen doen in mijn leven, dan heb ik voor niets geleefd.”

Dit is Ali Isiaki. Hij is 25 en komt uit Benin. Hij vertelde eerder in deze krant hoe hij als vijftienjarige alleen naar Nederland kwam. Hoe hij tijdens zijn asielaanvraag Amadu Diallo (nu ook 25) uit Guinee leerde kennen. Ze zijn sindsdien onafscheidelijk en zien elkaar als broers. Ze zijn de enige familie die ze hebben.

Beide mannen gingen al verschillende keren naar Brussel, naar de ambassades van Benin en Guinee. Om te vragen, nee te smeken, om uitreispapieren. Maar zonder resultaat. Hun geboortelanden erkennen hen niet als burger.

Ze willen terug, in godsnaam dan maar, maar ze kunnen niet. In Nederland blijven kan ook niet. Ze zijn uitgeprocedeerd en sinds hun achttiende verjaardag zijn ze illegaal. Ze overleven in niemandsland. Zonder geld, met hulp van de voedselbank (Ali); zwervend van vriend naar bekende (Amadu). Af en toe is er een klusje. Dan verdienen ze iets door ramen te lappen of te schilderen.

Het zijn jonge mannen, slim, ze spreken goed Nederlands. Van hun vijftiende tot hun achttiende waren ze legaal en gingen naar school. Ali volgt de politiek, de eurocrisis, het lawineongeluk van Friso. Hij kijkt veel televisie. Vroeger las hij ook veel, vooral boeken. Maar hij kan zich steeds slechter concentreren.

Er is een magisch woord dat in gesprekken steeds weer opduikt: ‘papieren’. Als het over vrienden gaat, vertellen ze erbij of die papieren hebben of niet.

Amadu: „Soms denk ik: als iedereen in Nederland mij nou één euro zou geven...”

Ali schiet in de lach: „Zo denken alle daklozen. Als je een miljoen hebt, krijg je wel papieren.”

Amadu: „Bij twee ton al.”

Ali heeft al maanden een slaapplek op de bank bij een man met een driekamerwoning, waarvan hij twee kamers verhuurt. Als de anderen in de woonkamer zitten, kan Ali niet gaan slapen. Hij is eraan gewend. En trouwens, hij slaapt toch slecht en hoeft ’s morgens nergens heen.

„Het liefste zou ik werken”, zegt hij. „Ooit had ik dromen over wat ik zou worden. Nu maakt dat me niet meer uit, en wil ik alles doen.”

Amadu woont enkele weken in het huis van een Pakistaanse vriend (met papieren) die op vakantie is. Volgende week komt hij terug. Amadu weet nog niet waar hij dan heen zal gaan.

Hij droomt van een eigen huis. „Een eigen sleutel. Ik heb nog nooit een eigen sleutel gehad. Een kamer is genoeg hoor. Een kleintje.” En een vrouw en een kind misschien.

Ali: „In mijn land slapen de man en de vrouw apart. Nou ja, wel samen, maar niet dat je het ziet.”

Amadu: „Alleen als je elkaar nodig hebt.”

Ali: „Bij ons hebben de mannen vaak meerdere vrouwen. De vrouw die kookt, slaapt die nacht bij haar man. Dat weet je, dat zie je niet. Mijn vader had maar één vrouw: mijn moeder.”

Amadu: „Als ik een vrouw zou hebben, zouden we samen slapen. Zoals iedereen hier doet. Kan ik haar tenminste lekker vasthouden.”

Ali: „Geen vrouw wil een man zonder papieren.”

Amadu: „Ik ben moe.”

Ali: „Niet meer je hand ophouden. Gewoon remblokjes voor mijn fiets kunnen kopen, zodat ik weer de brug af kan fietsen.”

Amadu: „Een tas vol boodschappen kopen in de supermarkt.”

Ali: „Iedereen zegt: ik vind het verschrikkelijk rot voor je, maar we kunnen niet helpen.”

Amadu: „Het leven is maar af en toe leuk. Dat is een gezegde in mijn taal.”

Ali: „Ik heb nog niet echt genoten van mijn leven.”

Amadu: „Hoe kun je nou genieten van dit fucking leven?”

Ali: „Daarom zei ik net, ik hoop niet dat ik dood ga. Alleen als je papieren hebt, kun je dood gaan.”