Meesterpianisten op een stemmig feestje

Jubileumconcert 25 jaar Serie Meesterpianisten. Gehoord: 11/03 Concertgebouw

Felix Blumenfeld, Federico Mompou, Arthur Benjamin of Albert Lavignac: het zijn componisten die je in de Serie Meesterpianisten maar weinig aantreft. Evenmin staan ooit enkele delen uit grotere composities op het programma. En ruimte voor grappen is er in Nederlands plechtigste pianoserie ook maar zelden.

Reden om grenzen te doorbreken was er gisteren ten volle, want de Serie Meesterpianisten bestaat 25 jaar. Voor het jubileumconcert was een zeskoppige sterrencast naar Amsterdam gekomen, en ook de Nederlandse broers Jussen gaven acte de présence.

De feeststemming werd wat gedrukt door de programmering. Het ruim vier uur durende programma vroeg het uiterste van het publiek, dat om elf uur ’s avonds nog weinig fut had de hele Fantasie voor vier handen van Schubert uit te zitten. Daarbij wisselden serieuze werken en ‘encores’ elkaar zonder samenhang op, waardoor het recital steeds opnieuw leek te beginnen. En de repertoirekeuze was veelal eerder stemmig dan feestelijk. Verrassende werken (parafrases, improvisaties) ontbraken volledig. Alleen aan het slot brak iets van een feeststemming los, toen Severin von Eckardstein, Nikolaj Lugansky en de broertjes Jussen achter één klavier plaatsnamen en elkaar in de Galop-Marche van Albert Lavignac (1846-1916) letterlijk van de bank afdrukten.

Maar de avond kende meer hoogtepunten, zoals de opening door Von Eckardstein. Met ragfijne, onvoorstelbaar zacht gespeelde klankguirlandes in Skrjabins eerste Poème op.32 ontvoerde hij het net binnen gedromde publiek in een ijle sfeer van zinderende mystiek. De Russische klavierleeuw Alexander Gavrylyuk gaf een onnavolgbaar virtuoze lezing van de Tarantella uit Venezia e Napoli van Liszt. Het drietal Jean-Yves Thibaudet/Severin von Eckardstein/Alexander Gavrylyuk wekte, in een zeldzaam warmbloedige en buigzame versie van Rachmaninovs Valse & Romance (1890/1891) de indruk dat er niet drie pianisten speelden, maar slechts één.

Arthur en Lucas Jussen gaven met een groot gevoel voor timing een smaakvolle en beheerste uitvoering van Paul Dukas’ Tovenaarsleerling (1897). Zo gedresseerd was hun spel alleen, dat de onbeheersbare magie die het thema van dit stuk vormt niet altijd tot haar recht kwam.

Enigszins teleurstellend was met name Evgeny Kissin, die in Chopins Tweede Scherzo zijn heil in volume en tempo zocht. Door elk sforzato in eenzelfde eenvormig fortissimo te veranderen maakte hij het stuk niet alleen onnodig grof, maar ontdeed het ook geheel van zijn humor.

Na de eerste pauze was het tijd voor de onthulling van de veelbesproken Mystery Guest. Kreten van opwinding schoten door de zaal bij de verschijning van Alfred Brendel (1931), die zijn carrière drie jaar geleden beëindigde, maar aan populariteit bij het Amsterdamse publiek niets heeft ingeboet. Na de spontane ovatie was het voor menigeen even slikken toen bleek dat hij niet kwam om te spelen, maar om voor te dragen uit eigen poëzie.

Een andere ‘grand old man,’ Aldo Ciccolini (1925), nam gelukkig wel achter de vleugel plaats. De droevige, verstilde atmosfeer van Schuberts Fantasie voor vier handen (gespeeld samen met zijn oud-leerling Thibaudet) ging in een onrustige en weinig subtiele uitvoering goeddeels verloren. Maar in twee solostukken kwam de Italiaanse meester tot zijn gebruikelijke niveau. Vooral zijn serene, van alle retoriek ontdane versie van Elgars Salut d’amour was boven kritiek verheven.

Zo kon het vermoeide publiek toch nog met een glimlach naar huis.