Koerdisch mag weer, maar welk dialect?

Van drie Koerdische dialecten één standaardtaal maken is net zo lastig als het verenigen van versnipperd Koerdistan.

‘Taal is net zo belangrijk voor de mens als voedsel, water en lucht,’ staat in grote letters in de hal van het Cigerxwîn-cultuurcentrum van Diyarbakir, Zuidoost-Turkije. Begin maart werd hier, voor het eerst in de geschiedenis van de republiek Turkije, een congres gehouden over het Koerdisch als nationale taal. Een groot aantal Koerdische schrijvers en taalkundigen uit Turkije, Irak, Iran en Syrië nam eraan deel.

De grote Turkse media schilderden de conferentie af als een partijpolitieke stunt van de BDP, de pro-Koerdische partij die volgens tegenstanders de politieke tak is van de Koerdische guerrillaorganisatie PKK. Nog erger in Turkse ogen: de conferentie werd welbewust geopend en afgesloten met Ey raqîb, het Koerdische volkslied.

Tot voor kort was zo’n bijeenkomst hier ondenkbaar. Het Koerdisch, een aan het Perzisch verwante Indo-Europese taal, is in Turkije decennia lang verboden geweest. Nog niet zo lang geleden werd bij Koerdische schoolkinderen hun moedertaal er letterlijk uitgeslagen. In de jaren tachtig durfden mensen alleen fluisterend te bekennen dat ze Koerden waren, en openlijk Koerdisch spreken – laat staan schrijven – was taboe. Sindsdien is er veel veranderd. De gewapende strijd die hier in de jaren tachtig en negentig woedde tussen de PKK en het Turkse leger behoort tot het verleden. Een paar jaar geleden kondigde de Turkse premier Erdogan een ‘Koerdische opening’ aan, ofwel een civiele oplossing van de Koerdische kwestie in Turkije.

In de afgelopen twintig jaar is er enorme, en naar het zich laat aanzien onomkeerbare, vooruitgang geboekt. Op het in bezit hebben van Koerdische tijdschriften, boeken, cd’s en cassettes staat niet langer gevangenisstraf wegens separatistische of terroristische activiteiten. Koerdisch wordt tegenwoordig gesproken op lokale radiostations en zelfs op een kanaal van de Turkse staatstelevisie, TRT6. Bij de opening daarvan sprak Erdogan zowaar een paar woorden Koerdisch, een duidelijk signaal dat er onder de AKP-regering een andere wind waait dan onder zijn nationalistische voorgangers. Aan enkele lokale universiteiten kun je nu zelfs Koerdisch studeren.

Deze vooruitgang is niet alleen te danken aan het proces van toetreding tot de Europese Unie, aan het beleid van de huidige Turkse regering en aan de inspanningen van talloze Turkse Koerden. Ook de consolidatie van een Koerdische autonome regio in buurland Irak, waar het Koerdisch als officiële taal het Arabisch intussen heeft vervangen, heeft veel Koerden aangemoedigd.

Maar van het voorzichtige optimisme over Erdogans Koerdische opening is weinig meer over. In een recente arrestatiegolf zijn duizend Koerdische activisten voor onbepaalde tijd en zonder vorm van proces vastgezet. Steeds vaker worden ook pro-Koerdische journalisten en intellectuelen gearresteerd.

Er is ook een grens aan de recente hervormingen: de AKP-regering wil geen Koerdisch in het basisonderwijs of in het regionale bestuur. Kort voor het congres noemde vicepremier Bülent Arinç het Koerdisch nog een „taal zonder beschaving”, die niet op school hoeft te worden onderwezen.

Arinç’ woorden beheersen de gemoederen op het congres in Diyarbakir. Maar de centrale kwestie die hier wordt besproken is standaardisering van het Koerdisch. Veel Koerden zien een gemeenschappelijke standaardtaal als de basis voor politieke eenwording, of zelfs nationale onafhankelijkheid – de droom die menige Koerd nog altijd koestert.

De vooruitzichten voor een eenheidstaal zijn overigens niet best. Momenteel worden drie dialecten van het Koerdisch gebruikt in gesproken en geschreven massamedia. Bovendien gebruiken Koerden in Turkije en Syrië het Latijnse alfabet, terwijl Iraanse en Iraakse Koerden hun moedertaal in Arabische letters schrijven. Pogingen om een kunstmatige eenheidstaal te vormen uit deze dialecten hebben nooit succes gehad. Onlangs hebben Iraaks-Koerdische intellectuelen ervoor gepleit het belangrijkste dialect van Iraaks-Koerdistan tot standaardtaal te maken, maar deze oproep werd door sprekers van andere dialecten verworpen. Op het congres domineert het taalpluralisme. In de slotverklaring wordt niet alleen het recht op Koerdisch moedertaalonderwijs in Turkije opgeëist, maar wordt ook de veelvoud aan geschreven Koerdische standaardvarianten als een rijkdom gewaardeerd. Dan vraagt schrijver Malmîsanij het woord; hij zegt met klem dat taal niet het monopolie van één politieke partij is. Daarmee bekritiseert hij zowel de PKK als het één staat-één taalbeleid dat in de regio – en bij veel nationalistische Koerden – nog altijd heerst.