'Ik dacht steeds: maar zo wás het niet'

In Den Haag ging De Prooi in première, een toneelstuk over de ondergang van ABN Amro. Wie argeloos kijkt ziet stevig toneel. De betrokken bankiers zijn bloednieuwsgierig, maar kijken doen ze liever anoniem. Behalve president-commissaris Aarnout Loudon. Zijn oordeel: niet realistisch.

Hij was de enige, en dat was dapper.

Aarnout Loudon, voormalig president-commissaris van ABN Amro, was de enige hoofdfiguur die was ingegaan op de uitnodiging om bij de première te zijn van De Prooi, het toneelstuk over de ondergang van ABN Amro in het tijdperk-Groenink, gebaseerd op de bestseller van Jeroen Smit. „Voor mensen die het echte verhaal niet goed kennen, moet het een onderhoudend stuk zijn geweest”, zegt Loudon (75). „Maar dat ik er zelf onderdeel van was, maakte mij wat minder enthousiast.”

Loudon was met zijn vrouw gekomen en met Anthony Burgmans, de oud-topman van Unilever die ook in de raad van commissarissen van ABN Amro zat, maar in het toneelstuk niet voorkomt. Alle andere hoofdrolspelers van destijds waren ook uitgenodigd voor de feestelijke eerste voorstelling in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Maar niemand wilde. Rijkman Groenink, de topman die in het stuk door Mark Rietman wordt gespeeld, had geen zin. Hij liet van tevoren al weten niet van premières te houden, deed er in een televisie-interview een beetje lacherig over, maar zegt nu dat hij vermoedelijk wel bij een reguliere opvoering ergens in het land zal gaan kijken. Joost Kuiper, medebestuurslid, was kennelijk wel erg benieuwd maar had evenmin zin in alle publieke belangstelling. Kuiper was vorige week al naar een van de try-outs geweest, zonder fotografen en zonder afterparty.

Groeninks voorganger Jan Kalff, zijn medebestuursleden Jan Maarten de Jong, Rijnhard van Tets, Wilco Jiskoot en de enige vrouwelijke topbankier destijds, Alexandra Cook-Schaapveld, hadden kennelijk (nog) niet de behoefte om zichzelf terug te zien. Het moet ook wel iets vreemds, surrealistisch en confronterends hebben om in de zaal naar een serieus toneelstuk te zitten kijken terwijl jij daar zelf wordt opgevoerd.

Zelf moest Loudon, vanaf rij 10, een paar keer onbedaarlijk lachen om de wijze waarop toneelschrijfster Sophie Kassies en regisseur Johan Doesburg de voormalige top van de bank hadden neergezet. Soms zat hij onbewogen naar het toneel te kijken, als de rest van de zaal wel moest lachen.

Zijn alter ego, vertolkt door Khaldoun Alexander Elmecky, zette Loudon neer als een wat sukkelige figuur, die steeds achter medecommissaris Jan Kalff aan huppelde, door de andere bankiers niet erg serieus werd genomen en soms wat onnozele of onzekere opmerkingen maakte (Zoals: „Hebzucht ís verstand…, toch?”, tijdens een fel debat over de onderhandelingen met de vijandige partijen die ABN Amro in 2007 opslokten).

Loudon had na afloop van de twee uur durende voorstelling niet de behoefte om in de lobby vrolijk een biertje te gaan drinken met de acteurs of met andere bezoekers. „Die meneer Elmecky had mij misschien beter vóór de productie kunnen opzoeken.” Hij was meteen naar huis gegaan.

„Met de werkelijkheid had het niets te maken”, zegt Loudon twee dagen later aan de telefoon. „Toen de bank werd overgenomen was ik al jaren weg.” Hij nam het niet zo serieus allemaal. „Het is duidelijk dat de makers van het stuk een loopje met de waarheid hebben genomen, nog meer dan in het boek. Ik kan me er dus niet erg over opwinden hoe ik op het toneel werd neergezet.”

Loudon is opgelucht dat het stuk niet één grote aanval is geworden op de grote graaicultuur, waarop bankiers al zo vaak zijn aangevallen. „Dat was gelukkig geen thema.”

Maar het plezier werd hem wel wat ontnomen. „Het feit dat ik weet hoe het destijds echt met de bank is gegaan, was een stoorzender om van het stuk te genieten. Ik dacht voortdurend: maar zo wás het niet.”

Bang dat mensen die dat verhaal niet kennen hem zullen aanspreken op zijn personage op de planken, is Loudon niet. „Ik wil ze met plezier uitleggen hoe het zit. Bovendien zullen mensen moeite hebben om mij aan te wijzen als een van de hoofdrolspelers: ik werd in het stuk maar één keer met naam genoemd.”