Ik bewonder schrijvers die grillig zijn

Behalve schrijver, performer, dichter en essayist is Tom Lanoye, auteur van het Boekenweek-geschenk, vooral een lezer.

Arjen Fortuin

Recensent Nederlandse Literatuur

Tijdens de boekenweek is Tom Lanoye overal in Nederland – hij schreef immers het boekenweekgeschenk van dit jaar: Heldere hemel, een novelle die is geïnspireerd op het nieuwsfeit over het onbemande Russische MiG-toestel dat in de laatste zomer van de Koude Oorlog neerstortte op een huis in Kortrijk.

Maar Tom Lanoye is méér dan schrijver: de dichter, theaterman, essayist, columnist, performer en propagandist zitten ook in het pakket. Dus staat de eregast niet alleen op het Boekenbal en op voorleesevenementen, maar ook in Carré, waar hij de theaterversie van zijn bestseller Sprakeloos speelt. En hij opperde dat ook Vlaamse lezers Heldere hemel wel cadeau konden krijgen, wat nogal wat voeten in de aarde bleek te hebben. „Ik dacht dat zoiets in een handomdraai geregeld zou zijn, maar dat viel tegen. Ik ben heel blij dat het uiteindelijk gelukt is.”

Maar aan al die andere verschijningsvormen van Tom Lanoye, gaat er een vooraf: Lanoye de lezer. Want elke schrijver is in eerste instantie een lezer, vindt Lanoye – en het was zijn liefde voor lezen die maakte dat een Vlaamse ‘slagerszoon met een brilletje’ nu het middelpunt van de Nederlandse Boekenweek vormt.

Zoals bij veel lezende jongens, zeker in Vlaanderen, begon het voor Tom Lanoye allemaal met strips. „De Belgische stripcultuur is enorm gegroeid doordat tijdens de bezetting de toevoer van Amerikaanse strips stokte. De cultuur was er bovendien geschikt voor, in de glas-in-loodramen van onze kerken wordt ook een beeldverhaal verteld. Strips hebben een enorme invloed op mijn generatie gehad. Als ik Herman Brusselmans spreek gaat het altijd ook wel weer over Piet Pienter en Bert Bibber, of over het Spaansos van Jommekos – in de Vlaamse jeugdstrip Jommeke wordt ‘Spaans’ gesproken door achter tal van woorden ‘-os’ te plakken.”

Lanoye groeide op in een huishouden met vier broers, een zus en veel ouderlijk wantrouwen tegen de televisie. „Er waren heel veel strips, ik heb me daar eindeloos aan volgezogen. De eerste keer dat ik het verhaal van Wagners Ring des Nibelungen hoorde, dacht ik dat het plagiaat was van Suske en Wiske en de Ringelingschat. Die strips hebben mij gevormd. In mijn debuut Een slagerszoon met een brilletje zitten talloze elementen die daaruit afkomstig zijn. Aan het slot van de roman voer ik een gesprek met mijn bril, die ik stuk wil trappen. Het idee dat zo’n gesprek mogelijk is, dat komt uit jaren strips lezen.”

Hergé geldt als de stripkunstenaar tegen wie niemand op kan, maar Lanoye koestert vooral warme gevoelens voor de schepper van Suske en Wiske. „Willy Vandersteen staat in de traditie van Vlaamse volksvertellers, hij was een soort Bruegel. De zogenaamde Blauwe reeks, met extra zorg uitgewerkte verhalen die hij maakte voor Kuifje, het tijdschrift van Hergé. Daar heb ik mijn ogen echt aan stukgelezen.”

Vooral dankzij Lanoye’s moeder, sinds Sprakeloos bij al zijn lezers bekend als theaterdier, leerde hij ook al vroeg de wereld aan toneelteksten kennen. „Uit een soort zendingsdrang hadden mijn ouders ingetekend op de Feniks-reeks, een serie van linnen hardcovers met veel Nobelprijswinnaars en enkele Vlamingen. Die stonden op een rij bij ons in de kast, niemand las ze.” Behalve de jonge Tom dan, die zo kennismaakte met het werk van schrijvers als Knut Hamsun en Arthur van Schendel. De jeugdafdeling van de bibliotheek van Sint Niklaas had hij toen al leeggelezen. „Ik las boeken als Xantippe van Paul Lebeau en vroeg om de oorlogsthrillers van Allistair MacLean. Dat vond men toch wel een beetje link voor een kind, die boeken vol wreedheid, seks en drank.”

Zijn grootste stappen in de wereldliteratuur zette Lanoye aan de hand van de dichter-priester Anton van Wilderode (1918-1998), die lesgaf op het seminarie waar Lanoye naartoe werd gestuurd. Van Wilderode was op het eerste gezicht niet de meest aangewezen man om een jonge lezer in te wijden in Claus en Lucebert. Hij was een strenge katholiek en flamingant en schreef teksten en liederen voor bij de IJzerbedevaart, toentertijd de jaarlijkse bijeenkomst van het radicaal rechtse deel van Vlaanderen. Lanoye voerde hem in zijn roman Kartonnen dozen op als Mussolini. „Dat had meer te maken met zijn Romeinse kop dan met zijn opvattingen”, zegt Lanoye nu. Enkele jaren geleden sprak hij een lofrede uit bij een heruitgave van het debuut van Van Wilderode.

Van Wilderode schonk zijn leerlingen magische momenten. „Hij lispelde een beetje, hij zag eruit als een priester en rook ook een beetje als een priester, naar allerlei verschaalds. Maar hij was een wonderbaarlijk voorlezer, hij kon een hele klas begeesteren. Ik kan me herinneren hoe hij op vrijdagmiddag, we hadden het laatste uur van de week les van hem, de klas binnenkwam en heel langzaam een groot zwart boek uit zijn tas haalde, alsof het een eucharistieviering was. Hij toonde ons zwijgend en blad voor blad De feesten van angst en pijn van Paul Van Ostaijen. Hij zei: en dit is ook poëzie en legde uit wat de zuivere lyriek van Van Ostaijen was. Toen las hij ze ook nog eens voor! Dat was een echt godsgeschenk.”

Dat gold zeker voor de Oostakkerse gedichten van Hugo Claus, die mijlenver van Van Wildenrodes katholieke conservatisme stonden, maar desalniettemin door hem werd onderwezen en voorgelezen – en het leven van Tom Lanoye zou nooit meer hetzelfde zijn. „Het absolute genie van Hugo Claus was voor hem boven alle twijfel verheven.” Zo leidde Van Wilderode zijn leerlingen al voorlezend door de literatuur. „Van Wilderode was een educatieve rebel”, zegt Lanoye. „En zijn status als priester-dichter was voor de schoolleiding net te hoog om er iets aan te doen.”

Inmiddels had Lanoye zelf ook literaire en theatrale ambities ontwikkeld en ging hij Germaanse filologie studeren, wat op een bittere teleurstelling uitliep. „Afgezien van een paar interessante werkgroepen over Boon, Claus en Leopold heb ik daar niets geleerd. We kregen tentamens over de namen en adresssen van de maîtresses van Multatuli of de vraag hoe Guido Gezelle als leraar was.”

Lanoye stapte over naar politieke en sociale wetenschappen. „Ik ben lang blijven studeren, gebruikte het als een maatschappelijk camouflage-instituut. Ik werkte veel als kelner en zat vaak in de universiteitsbibliotheek. Ik wist toen al dat ik wilde schrijven en optreden.”

In de bibliotheek werden alle nieuwe romans dadelijk aangeschaft en de volhoudende student kon alles lezen. „Alle ogen waren in de jaren zeventig op Nederland gericht, dáár gebeurde het. Ik las Mensje van Keulen, Maarten ’t Hart, Hans Plomp en Heere Heeresma. Die laatste maakte enorme indruk op me, hij schreef een soort porno waar je om kon lachen – helaas is hij later helemaal verdwenen.”

Lanoye probeerde zoveel mogelijk Nederlandse publicaties te pakken te krijgen. „Op een dag vond ik een nummer van de Haagse Post met Gerrit Komrij op de cover, poserend als Oscar Wilde in een purperen kamerjas met die treurige hondenkop van hem. Het interview ging over Verwoest Arcadië en over Averechts. „Vooral dat laatste maakte grote indruk op me, als een soort homobijbel. Het definieerde waar ik naar zocht, een temperament waarmee ik me identificeerde en me afzette tegen de zonnebanknichten. Komrij lezen was een bevrijdende ervaring, in emotioneel, intellectueel en literair opzicht.

„Zo’n leeservaring heb je achteraf nooit meer”, zegt Lanoye. „Een onbeschreven blad kun je niet meer worden. Wel zie je een soort kettinglezen ontstaan. Door Komrij ontdekte ik Oscar Wilde en zo kwam ik bij Madame Bovary terecht. Ik ben afgestudeerd op Hans Warren, die me met de gedichten van Kaváfis heeft laten kennismaken.

„Mijn leesgedrag is nu een combinatie tussen het lezen van klassiekers, het bijhouden van het werk van collega’s en concurrenten – en internationale bestsellers. Ik vind dat je je daar als schrijver niet voor moet afsluiten.” Verder leest Lanoye veel non-fictie, ook om zich in te lezen voor zijn theaterprojecten. „Onlangs heb ik Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen herlezen. Dat is alleen al vanwege de taal een van de beste Nederlandse boeken die ik ken, zo extreem dat de geur van bloed en rozen er naast elkaar bestaan. Maar ik lees ook een boek over de Tempeliers, wat heel interessant is als je kijkt naar een figuur als Anders Breivik – in die orde zit een hele verdoken homo-iconografie.”

Lanoye brengt al twintig jaar de Europese winter in Kaapstad door. „Die tijd gebruik ik ook om te lezen. De afgelopen maanden heb ik daar eindelijk Radetzkymars van Joseph Roth gelezen, maar ook Een vrouw op de vlucht voor een bericht van David Grossman en 2666 van Roberto Bolaño. Dat deed me weer denken aan Bezoek van een knokploeg van Jennifer Egan, door alle lijnen die niet worden afgewikkeld. Ik heb grote bewondering voor schrijvers die grillig durven te zijn.”