'Een op de vijf leerlingen heeft bijzondere begeleiding nodig'

De aanleiding

In de Amsterdam Arena protesteerden vorige week dinsdag 50.000 leraren tegen bezuinigingen op het onderwijs voor kinderen met leerproblemen. Het mocht niet baten: de bezuiniging van 300 miljoen euro gaat door, zo bleek een dag later tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Het kabinet rechtvaardigt de bezuiniging door te wijzen naar het aantal leerlingen dat extra begeleiding nodig heeft. Dat aantal zou de afgelopen jaren zo fors zijn gegroeid dat het passend onderwijs ‘uit zijn voegen barst’ met een enorme kostenstijging tot gevolg.

Op de dag van de lerarenstaking stond op de opiniepagina van nrc.next een ingezonden brief van Ton Elias, onderwijswoordvoerder van de VVD. Hij schreef dat kinderen in onze samenleving veel te snel worden ‘gemedicaliseerd’ en constateerde met enige ironie dat het „in het voortgezet onderwijs inmiddels met een op de vijf kinderen zo ernstig mis is dat deze kinderen bijzondere begeleiding nodig hebben”. Lezer Eduard Driessen vroeg next.checkt de bewering te controleren.

Interpretaties

Ton Elias bedoelt volgens zijn woordvoerder te zeggen dat het niet normaal is dat een op de vijf kinderen in het voortgezet onderwijs bijzondere begeleiding krijgt. Het percentage baseert Elias op een brief over het aantal ‘zorgleerlingen’ die de Inspectie van Onderwijs op 19 april vorig jaar verzond aan de minister van Onderwijs.

Onder ‘zorgleerlingen’ verstaat de Inspectie leerlingen die een ‘eigen leerweg’ volgen. In het voortgezet onderwijs zijn er vier typen leerwegen, met een onderscheid tussen ‘lichte’ en ‘zware’ zorgleerlingen.

Voor lichte zorgleerlingen is er het leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo). Dit zijn leerlingen die met bijles en extra begeleiding op een gewone school een vmbo-diploma proberen te halen. Ze hebben of een IQ tussen de 75 en 90, of een hoger IQ maar een sociaal-emotioneel probleem. De school krijgt geld om ze te ondersteunen. Ook leerlingen in het praktijkonderwijs vallen onder ‘lichte zorgleerlingen’. Dit zijn leerlingen met een IQ tussen de 60 en 80 voor wie het vmbo te moeilijk is.

Voor zware zorgleerlingen is er leerlinggebonden financiering, het zogenoemde rugzakje. Dit zijn leerlingen op een reguliere school met een lichamelijk, verstandelijk, psychisch of gedragsprobleem waarvoor de school geld krijgt om ze te ondersteunen. De vierde (en laatste) leerweg is die van het voorgezet speciaal onderwijs. Dit zijn aparte scholen bedoeld voor gehandicapten, slechthorenden of -zienden, langdurig zieken of kinderen die zeer moeilijk leren vanwege bijvoorbeeld ADHD of autisme.

En, klopt het?

In de brief van de Inspectie van Onderwijs waarop Elias zich baseert staat dat in het leerjaar 2008-2009 in totaal 17,2 procent van leerlingen op een middelbare school een van de vier bovengenoemde leerwegen volgde. Dat zijn dus iets meer dan één op de zes leerlingen (een op de 5,8). De cijfers zijn afkomstig van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), die de financiering regelt.

Volgens dezelfde cijfers is tussen 2003 en 2009 de totale groep zorgleerlingen gestegen van 231.000 naar 266.000, een stijging van 15 procent. Het aantal leerlingen met ‘lichte’ zorg daalde met 4 procent, van 166.000 tot 160.000. Het aantal ‘zware’ zorgleerlingen steeg van 65.000 naar 107.000, een stijging van 65 procent.

Het is die laatste stijging die volgens Elias en het kabinet de bezuiniging in het passend onderwijs rechtvaardigt. Gekeken naar het type zorgleerling is de stijging vooral zichtbaar bij leerlingen die in het speciaal onderwijs zitten of een rugzakje hebben en zeer moeilijk lerend zijn dan wel een ernstig gedrags- of psychiatrisch probleem hebben. Daaronder kunnen ook leerlingen met ADHD, autisme of een opvoedingsprobleem vallen.

Waar de stijging vandaan komt is onduidelijk. De diagnose van deze problemen is minder ‘hard’ dan van bijvoorbeeld blindheid of doofheid. Het betekent dat er tegenwoordig mogelijk meer leerlingen met zulke problemen zijn en/of dat leerlingen sneller als zodanig worden gediagnosticeerd. Welke factor doorslaggevend is, blijkt niet uit onderzoek.

Overigens volgt een ruime meerderheid (10,2 procent van die 17,2 procent) van alle zorgleerlingen de leerweg ondersteunend onderwijs (lwoo). Zij krijgen ondersteuning op het vmbo. Een deel van deze groep zou vóór de invoering van het theoretische ingerichte vmbo in 1999 wellicht het meer praktijkgerichte beroepsonderwijs hebben gevolgd, zoals de lts of (langer geleden) de ambachtsschool. In dat systeem waren zij wellicht geen zorgleerling: ze hoefden bijvoorbeeld geen Duits te leren en konden meekomen met het onderwijs. Omdat de onderwijslat hoger is komen te liggen, met het accent op theorie, heet deze groep nu ‘zorgleerling’.

Conclusie

Volgens Ton Elias heet een op de vijf kinderen in het voortgezet onderwijs ‘zorgleerling’. Dat aantal is naar boven afgerond; in werkelijkheid gaat het om 17,2 procent van de leerlingen. Zij bewandelen volgens de Inspectie van Onderwijs een ‘eigen leerweg’ – iets meer dan een op de zes dus. Een meerderheid van hen is ‘lichte’ zorgleerling. Zij volgen de leerweg ondersteunend onderwijs en zouden in eerdere, minder theoretische onderwijssystemen wellicht niet als ‘zorgleerling’ zijn aangemerkt. Elias vindt een bezuiniging gepast omdat het aantal ‘zware’ zorgleerlingen tussen 2003 en 2009 met 65 procent is gestegen. De stijging klopt, onduidelijk is echter waar zij aan toe te schrijven is. Next.checkt beoordeelt de bewering van Ton Elias al met al als grotendeels waar.