Column

Droef en geestig

Utrecht heeft zich altijd dankbaar betoond ten opzichte van de schrijver C.C.S. Crone (1914-1951), een vroegere stadgenoot die een klein, maar ragfijn oeuvre naliet waarin de stad als decor fungeert. Er is een beeld voor hem opgericht in de Bruntenhof en er staan op enkele openbare plekken teksten van hem gebeiteld.

Gisteren verscheen bij uitgeverij IJzer de zevende druk van De schuiftrompet, het enige boek waarin de verhalen en schetsen van Crone zijn samengebracht.

De eerste druk dateert van 1947, de voorlaatste van 2001, waaruit blijkt dat Crone als auteur nog steeds voortleeft, wat niet gezegd kan worden van de meeste van zijn collega’s uit die tijd. Crone schijnt dat voorvoeld te hebben, hij zei ooit: „Ik word niet oud, misschien niet eens veertig, maar door mijn werk word ik onsterfelijk.”

Voor de presentatie in de literaire salon Saffier van Marijke van Dorst in de Herenstraat was ik uitgenodigd iets te zeggen over Crone en zijn werk. Ik had het dertig jaar geleden voor het eerst gelezen. Wat ik me herinnerde was de sfeer van de jaren dertig en de Nescio-achtige zinnetjes, die Crone later de bewondering van schrijvers als Carmiggelt, Bernlef en Buddingh’ zouden opleveren. Enkele voorbeelden.

„Het is dus Kerstmis vandaag. […] Christus is geboren. Het staat niet in de burgerlijke stand, het staat in ’t evangelie.”

Over een gehate, gestorven leraar: „De doodgravers hebben zich niet aan hem vertild. ’t Is belachelijk: zes mannen, om één gekist leraartje te dragen.”

De droge humor van Crone was me bijgebleven, maar bij herlezing viel me vooral op hoe droefgeestig zijn werk is. Zijn verhalen gaan vaak over dood en eenzaamheid, al schrijft hij er zo ingehouden en nuchter over dat het nooit melodramatische kitsch wordt.

Als een dochtertje van hoofdpersoon Buysman sterft, laat hij de reacties van de ouders aan het sterfbed weg. Er volgt een witregel, waarna hij schrijft: „Toen Buysman na de requiemmis de kadetjes in de pastorie op tafel zag staan, herinnerde hij zich, dat het Eefjes ideaal was, in plaats van boterhammen kleine broodjes te eten.”

Crone was pas een jaar of twintig toen hij het meeste van dit werk schreef. Daarna kwam er van schrijven niet meer veel, al zijn er na zijn vroege dood – 36 jaar oud – nog wel aanzetten voor nieuw werk gevonden. Hij kreeg een gezin en verdiende de kost in de public relations bij AKU in Arnhem. Uit de overlevering komt hij naar voren als een introverte, verlegen man. De Utrechtse literator dr. P.H. Ritter jr. schreef over hem: „Deze kleine, nietige figuur zweeg veel, maar als hij iets zeide, dan was dit doordringend.”

Was hij wel zo introvert, vroeg ik me gistermiddag in mijn toespraakje af, per slot van rekening moest hij als pr-man veel contacten onderhouden.

Na afloop raakte ik in gesprek met drie van zijn kinderen (hij had er vier): de zussen Maartje (1945) en Joanna (1947) en zoon Kees (1950). „Dat beeld van een verlegen man klopt”, zei Joanna, „de baan bij de AKU was eigenlijk te zwaar voor hem, hij raakte er overspannen van.” Ook bevestigde ze mijn vermoeden dat Crone een door de dood geobsedeerd mens moet zijn geweest.

Crone stierf, volkomen onverwacht, aan polio. Alsof de dood vond dat hij nu lang genoeg was uitgedaagd door al die beschrijvingen van hem. „Buysman zag, hoe haar tong nog even trilde. Zo gauw het ophield, voelde hij de leegte.”