'De Prooi' op toneel: bankiers op het hellend vlak

De Prooi door Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Gezien: 10/3, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Inl. nationaletoneel.nl

De ondergang van een bank, is dat erg? Anders gezegd, hoe maak je zo’n drama op toneel begrijpelijk en invoelbaar voor een groot publiek? Regisseur Johan Doesburg doet bij Het Nationale Toneel een dappere poging met De Prooi, naar het boek van Jeroen Smit, over de ondergang van ABN Amro.

De Prooi schetst de verwikkelingen bij ‘De Bank’, vanaf eind jaren 90, toen Rijkman Groenink Jan Kalff opvolgde als bestuursvoorzitter. Het was de tijd van ongebreidelde economische groei. Aandeelhouderswaarde werd heilig, de lokroep van grote Amerikaanse zakenbanken verleidde ook ABN Amro tot megadeals en nieuwe financiële producten. In De Prooi schetst Sophie Kassies, die het boek tot toneelstuk bewerkte, de tweedeling die dat veroorzaakt tussen bankiers van de oude en van de nieuwe tijd, tussen die van ‘retail’: het filiaal om de hoek, waar de gewone man zijn hypotheekje heeft, en van ‘investment banking’: waar het gaat om fusies, overnames, de megabonussen.

In De Prooi vertegenwoordigen Wilco Jiskoot (Hajo Bruins) en Rijnhard van Tets (Pieter van der Sman) de gewetenloze cowboys van het grote geld. Kassies contrasteert deze scherp met twee bankiers van de oude stempel: Jan Kalff (Jaap Spijkers) en Aarnout Loudon (Khaldoun Alexander Elmecky). Zij lijken hun bedenkingen te hebben tegen de vaart waarmee de menselijke maat uit zicht verdwijnt. Groenink (Mark Rietman) staat tussen hen in. Het lukt hem niet de twee culturen te verzoenen. Hij vertrouwt niemand, opereert alleen. Dit solistische optreden kost hem zijn bank, die wordt overgenomen door Fortis, Santander en Royal Bank of Scotland. Het stuk eindigt met hem. Eenzaam, in het besef dat hij heeft gegokt en verloren en dat zijn naam voortaan „met pek zal worden geschreven”.

Of het precies zo gegaan is, doet er bij het toneelstuk De Prooi niet toe. De hoofdrolspelers hebben bestaande namen, maar ze zijn fictieve personages geworden. Kassies verzon op basis van het boek wat ze gedacht of gevoeld kunnen hebben. Dat is geloofwaardig genoeg, mede dankzij de overtuigende acteurs. Elmecky is als Loudon geestig inert: hij staat erbij en kijkt ernaar. Spijkersis mooi mistroostig als de oudere bankier die de wereld om zich heen onherkenbaar ziet veranderen. Bruins maakt van Jiskoot een ongrijpbare gluiperdslinks en charmant, overal mee wegkomt. Hij haalt het bloed onder de nagels van de steile, sociaal gemankeerde Groenink. Mark Rietman maakte er een grootse rol van. Hij zet enerzijds Groeninks arrogantie en blinde ambitie neer en toont tegelijk met subtiel spel – een slecht getimed grapje, een stugge speech, een ongepaste lach – de tragiek van zijn sociale isolement.

De Prooi is strak vormgegeven, wervelend gemonteerd en vaak verrassend grappig. Doorslaggevend is het kantelende decor van Bernard Hammer. Soms hangt het horizontaal, als een etage in het bankgebouw aan de Amsterdamse Zuidas, dan staat het verticaal omhoog en is een steile wand, waar de acteurs klimmen en dreigen af te glijden. Dat leent zich voor een dramatische choreografie, vol geestige acrobatiek en imposante tableaux vivants. Als de bank is gevallen, kantelt de vloer en hangen alle hoofdrolspelers eronder. De associatie met een rij galgen is onontkoombaar en ijzingwekkend. Zo verschaft dit verbluffende decor het stuk de dramatische intensiteit die tekst en thematiek soms ontberen. Want het is taaie materie: de abstractie van de boardrooms, de koersen, de ‘investor relations’ en de ‘accountability’. Kassies en Doesburg komen een heel eind door jonge, hijgerige bankiers het jargon en de handeling te laten uitleggen. Dat is verhelderend, maar wel enigszins schetsmatig. En het schept afstand: de informatieoverdracht komt vaak voor het drama. Dat blokkeert nogal eens de emotie en maakt het soms zelfs een tikje saai.

En dan die menselijke maat. De cowboys zijn die misschien uit het oog verloren, maar Doesburg ook. We kijken naar bankiers die zich niet bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van hun eerzucht. Van die gevolgen zien wij niets. Terwijl daar het echte drama zit: de ontslagen werknemers, de oma die niet meer terechtkan bij het filiaal om de hoek. Evenmin toont Doesburg de gevolgen voor de economie, of de relatie met de kredietcrisis. Zo wordt de ondergang van de bank een geïsoleerde gebeurtenis . Toch overheerst na afloop ontzag. Voor deze poging een complex maatschappelijk-economisch drama naar toneel te vertalen. En omdat dat nagenoeg is gelukt.