De essentie van dikdoenerij

Ik lees de columns van Ornan Grunberg nooit. Hij, op zijn beurt, leest deze column van mij wekelijks. Uit bewondering, begrijp ik. Dat hij vervolgens toch een naar stukje over mijn werk schrijft, valt best te verklaren. De Boekenweek nadert. Het thema is vriendschap. Het zal wel een verlegen poging tot toenadering zijn.

Zojuist herlas ik het essay On Bullshit van de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt, een studie naar een begrip dat ook in het Nederlands ‘bullshit’ heet. Het essay opent laconiek. „Een van de opvallendste kenmerken van onze cultuur is dat er zoveel bullshit is. Iedereen weet dit.” Het fenomeen kan zo groot worden, zegt Frankfurt, omdat mensen weliswaar direct verontwaardigd raken over regelrechte leugens, maar niet over flauwekul die voortkomt uit dikdoenerij en desinteresse in feiten.

De filosoof wijst ook naar diepere bronnen voor de toename van bullshit. Volgens hem leidt scepticisme tot afnemende waardering voor onderzoek naar hoe het werkelijk zit. Daarom haalde ik het essay ook te voorschijn. Ik zocht naar de oorzaak van het verdwijnen van kennis. Aan de universiteiten worden in rap tempo de ambachtelijke studies afgeschaft. Portugees. Duits. Frans. Arabisch. In plaats daarvan komt geleuter over media. Bullshit is in onze cultuur niet alleen een burgerrecht. Het is een doel in het leven.

Waar hadden we het over? O ja, Grunberg. Het is niet erg dat hij in zijn stukje in de VPRO Gids mijn naam aldoor verkeerd blijft schrijven, maar het is wel een blijk van slordigheid. En zoals altijd is ook hier de slordigheid een signaal dat er wel meer niet klopt. Grunberg is hopeloos verstrikt geraakt in een tekst waarin ik een voorkeur uitsprak voor kritiek boven polemiek. Nu moet ik dus, om het belang van kritiek nogmaals uit te leggen, de wereld van de polemiek instappen. Het klinkt paradoxaal en dat is het ook. Onder uw ogen bevind ik me in de ongemakkelijke positie van een verpleegster die ondersteboven op een Drosteblik staat.

Goed, daar gaan we. Allereerst heeft Manon Nunberg het natuurlijk over neuken. Vergeef me dat ik die passage laat voor wat ze is. Daarna komen gelukkig drie inhoudelijker bezwaren. Ten eerste verwijt Grunberg me dat ik op deze plek geen overtuigingen heb. Ten tweede vecht hij mijn bewering aan dat gedeelde principes en uitgangspunten nodig zijn voor een zinvol gesprek over politiek. Ten derde denkt hij dat mijn behoefte aan gedeelde principes botst met dat wat hij aanziet voor mijn „moreel relativisme”. Drie verwijten die, als je ze bij elkaar optelt, minstens twee keer tot fundamentele onzin leiden.

Een moreel relativist zegt immers dat morele overtuigingen niet objectief en universeel geldig zijn, maar dat ze gelden binnen een specifieke groep of klasse, of in een bepaald tijdsgewricht. Alle opvattingen over goed en kwaad liggen ingebed in een cultuur. Zou ik moreel relativist zijn, dan zou ik dus wel degelijk overtuigingen hebben. En mijn moreel relativisme zou zeker niet botsen met het belang van gedeelde principes: de twee vallen namelijk samen. Overigens bén ik geen moreel relativist.

Grunberg weet dit allemaal niet. Hij heeft geen flauw idee wat moreel relativisme is. Hij zegt maar wat. Hij gebruikt zulke begrippen – „democratie”, „relativisme”, „liberalisme”, „schijn” – niet omdat ze iets voor hem betekenen, maar omdat ze decoratief en deftig zijn en omdat hij er al jaren mee weg kan komen. Zulke uitspraken zijn niet per se onwaar, maar ze zijn loos, leeg, nep. The essence of bullshit is not that it is false but that it is phony.

En zo keren we terug naar het omstreden verschil tussen kritiek en polemiek. Kritiek doet een beroep op kennis, probeert tot een gezamenlijk standpunt te komen dat klopt. Wie kritiek levert op het standpunt van anderen, probeert hun inzichten te beïnvloeden. De discussie richt zich op begrip van het onderwerp in kwestie. Als het goed is, komen niet alleen de criticus en de bekritiseerde een stap verder in hun denken, ook de omstanders steken er iets van op.

De polemist kan het niet schelen wat anderen over het onderwerp denken, het gaat hem erom wat ze van hemzelf denken. Dat is precies waarom ik niet dol ben op polemisering van de politiek: je schiet er als maatschappij niets mee op. De polemist gebruikt zijn hutsekluts van naamgrapjes, grapjes over seks, corrupte citaten en halfbegrepen theoretische argumenten niet om bijvoorbeeld de bezwaren tegen het moreel relativisme te verduidelijken, maar om te laten zien hoe grappig hij is, Ramon Funberg.

Als ik zijn stukje voor de nauwkeurigheid nog even nalees, blijkt het grootste bezwaar van Arnon Grunberg te zijn dat ik veel te redelijk ben. En te aardig. Daar heeft de polemist wel een punt. Ik ben inderdaad veel te aardig. Ook nu weer. Ik had zijn flauwekul streng moeten negeren, zoals ik altijd al doe. Maar ja, hier steekt zo’n collega aan de vooravond van de Boekenweek opeens zijn hand naar me uit. Had ik hem daar dan zo verloren moeten laten staan?