De blinde vlek van Duitsland

Aan extreem-rechts gaven de Duitse veiligheidsdiensten jarenlang geen enkele prioriteit. De ‘zaak van de eeuw’ schrok ze wakker.

Correspondent Duitsland

Berlijn. De affaire-Nationalsozialistischer Untergrund – de naam is een verwijzing naar Adolf Hitlers nationaal-socialisme – wordt in Duitse opsporingskringen „de zaak van de eeuw” genoemd. De negen moorden en twee aanslagen hebben Duitsland niet alleen indringend met z’n bruine verleden geconfronteerd. Ze hebben ook een debat aangejaagd over deskundigheid en efficiëntie van de Duitse veiligheidsdiensten en over de vermeende ‘blinde vlek’ bij politie- en opsporingsfunctionarissen voor rechts geweld. „Institutioneel racisme” zoals de krant Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung het noemde.

Ruim vierhonderd speurders zijn ingezet en twee parlementaire commissies doen sinds vorige week onderzoek. Volgens hoge politiebeambten zijn intussen „25 tot 30 personen uit het extreem-rechtse milieu opgepakt”. Ze worden ervan verdacht hand- en spandiensten te hebben verricht voor de vermoedelijke daders Uwe Mundlos en Uwe Böhnhardt, die vlak voor ze werden ontdekt een einde aan hun leven maakten.

Dat de opsporing jarenlang heeft gefaald wordt binnen de federale recherche als pijnlijk ervaren. Temeer daar het aantal delicten van extreem-rechts in Duitsland veel hoger ligt dan van linkse- en moslimextremisten. De federale recherche schat dat het rechts-radicale milieu circa 25.000 personen telt. 9.500 van hen zouden tot geweld bereid zijn. Onder hen zijn circa 5.600 neonazi’s en ten minste duizend zogeheten autonome nationalisten.

„Het is een zeer heterogeen wereldje. Er zit van alles tussen: van antisemieten tot extreme nationalisten. Van mensen die alleen maar propaganda bedrijven tot moordenaars als Böhnhardt en Mundlos”, zegt Bernd Wagner, oud-rechercheur en specialist op dit gebied. De neonazi’s zijn veelal verzameld in zogenoemde freie Kameradschaften, losse verenigingsverbanden die op onregelmatige tijden bijeenkomen en onderling contact hebben over acties, evenementen en ideologie.

Jarenlang golden rechtse extremisten voor de veiligheidsdiensten niet als prioriteit. Daaraan is nu een eind gekomen. Extreem-rechts heeft zichzelf hoog op de agenda geplaatst. Dat komt omdat de politiek de zaak als een blamage ervaart. De internationale reputatie van de Bondsrepubliek staat op het spel. In de hele wereld is over de Nationalsozialistischer Untergrund gepubliceerd, vaak werd er meesmuilend bij gemeld dat Duitsland „niets heeft geleerd”.

Als blijkt dat in de blunderende opsporing structuur zit – of erger: kwade opzet – zijn politieke consequenties tot hoog niveau denkbaar. Maar vooralsnog wordt niet van kwade opzet uitgegaan. Volgens Bondsdagafgevaardigden in de parlementaire onderzoekscommissies heeft de ingewikkelde federale structuur het langs elkaar heen werken van landelijke en regionale opsporingsdiensten mogelijk in de hand gewerkt.

„Ons land heeft zestien deelstaten. Iedere deelstaat heeft een regionale recherche en een eigen veiligheidsdienst. Samen 32 veiligheidsdiensten, alleen al op deelstatelijk niveau. Dan moet je de landelijke diensten er nog bij tellen. Bovendien staat er grondwettelijk een hoge muur tussen die diensten en de politie en recherche. De ervaring is dat het vaak schort aan onderlinge communicatie”, zegt oud-rechercheur Wagner.

Maar Duitsland heeft niet voor het eerst met terreur te maken. Met name uit de ervaringen met extremistische moslims zijn belangrijke lessen getrokken. Centrale registratie van verdachten en het gebruik van centrale computersystemen heeft de afgelopen jaren tot goede resultaten geleid. Dat model wordt nu ook voor het extreem-rechtse geweld gebruikt.

De onderzoeken naar Böhnhardt, Mundlos en hun rechtse terreurnetwerk zullen nog maanden duren. „De betrokken veiligheidsdiensten zullen hun verlies aan geloofwaardigheid voor lief moeten nemen totdat de zaak is opgehelderd”, denkt een parlementariër. „Hopelijk is dat alleen maar tijdelijk.”