141 blauwe ordners voor 141 kinderen

Vandaag begint het proces tegen oud- crècheleider Robert M. Cijfers zijn belangrijk in dit dossier. Alleen al omdat dit een van de grootste misbruikzaken is ooit.

Redacteur Jeugd & Gezin

Amsterdam. Het zijn drie grote, stalen dossierkasten vol. 141 blauwe ordners, 4 rode en 43 witte, 188 in totaal. Dit is het dossier in de strafzaak tegen Robert M. en Richard van O.: het misbruik van tientallen jonge kinderen, een omvangrijke collectie kinderporno en talloze chatsessies. Het dossier staat op de kamer van parketsecretaris Katinka Schilder. Uit al die mappen heeft zij de tenlastelegging samengesteld, die vanaf vandaag wordt behandeld door de Rechtbank Amsterdam.

Het dossier heeft in het strafproces een bijzondere betekenis: het is de volledige werkelijkheid van een zaak. De zaak ís het dossier, en wat er niet in zit bestaat niet. Of, zoals plaatsvervangend hoofdofficier Jet Hoogendijk zegt: wat wij niet aanleveren, daar mag de rechter niet over beslissen. Hij kan wel aanvullingen vragen, net als de advocaten van de verdachten.

Dus het dossier zal nog groeien. Terwijl het al zo groot is. Het is een van de meest omvangrijke dossiers in het Nederlandse strafrecht, denken advocaten Mark Winius en Erik van Kregten. De raadsmannen van Richard van O. hebben zelf in ieder geval nog nooit iets gezien wat in de buurt komt. In een doorsnee-strafzaak heb ik géén ordner, zegt Erik van Kregten. In een moordzaak een paar. In hun kantoor vullen de ordners de wanden van een kleine kamer.

Cijfers zijn belangrijk in dit dossier. Omdat de aantallen slachtoffers verbijsterend groot zijn. De 141 blauwe ordners gaan over de 141 kinderen voor wie aangifte is gedaan. Van 87 van hen heeft Robert M. het misbruik bekend, van de andere kinderen kon misbruik niet in alle gevallen bewezen worden. Maar ook de kinderpornozaak tegen de verdachten – ze hadden ook veel beelden van weer hele andere kinderen – beslaat een voor Nederlandse begrippen indrukwekkend aantal ordners: tien in totaal.

Cijfers moeten ook voor de bescherming van de slachtoffers zorgen. In de tenlastelegging zijn de kinderen nummers, net als op de rug van hun zogeheten kinddossier. Logisch, want de slachtoffers hebben er groot belang bij om in hun verdere leven niet ongevraagd aan deze zaak herinnerd te worden.

Maar waterdicht is het niet, want in de verhoren zelf heeft Robert M. namen genoemd. Op de buitenkant van de kinddossiers mogen dan cijfers staan, je hoeft ze maar open te slaan en je weet over wie het gaat.

Om toch te voorkomen dat de namen uitlekken, is het onderzoek ter zitting besloten. En het aantal exemplaren van het dossier beperkt. Het OM heeft er twee, de rechtbank heeft een exemplaar voor iedere rechter, de griffier, en voor de rechter-commissaris. De advocaten van Robert M. één en de advocaten van Richard van O. één.

In het dossier zijn ook geen beelden van misbruik te vinden. Die heeft het OM niet. Alle beelden zijn door zedenrechercheurs bekeken en beschreven en zitten als proces-verbaal in het dossier, net als in alle zedenzaken. Advocaat Van Kregten kent ze. Zo’n dossier is letterlijk iemand die beschrijft wat hij ziet: ik zie de penis van de man in de vagina van het meisje gaan, ik zie op-en-neergaande bewegingen, gedurende zolang. En dat dan voor de hele collectie kinderporno.

De politie is grotendeels verantwoordelijk voor het dossier. Daarnaast zijn er stukken die via het OM of de rechtbank komen, zoals de onderzoeksrapporten van het Pieter Baan Centrum en de verklaringen van deskundigen. Al met al nog eens 6 ordners.

De opbouw van het dossier door de politie gaat in overleg met het OM. Niet dat de opbouw erg ingewikkeld is, zegt parketsecretaris Katinka Schilder. Het is alleen heel veel. Echt heel veel, herhaalt ze zachtjes, bijna voor zichzelf. Het dossier bestaat uit zes onderdelen. Het onderdeel misbruik is het grootst, met de 141 kinddossiers en 4 ordners met andere stukken. Dan zijn er kinderporno (7 ordners Robert M., 3 Richard van O.), chatsessies (5 ordners met chatsessies die op zichzelf niet strafbaar zijn, maar wel als ondersteunend bewijs kunnen dienen), de rode ordners van het persoonsdossiers (vooral verhoren, 3 voor M., 1 voor Van O.), overige relevante stukken (financiën, digitale onderzoek, etc; 17 ordners) en het algemene dossier met formele stukken over bijzondere opsporing en dergelijke (7 ordners).

De omvang van het dossier is in combinatie met het strenge regime dat de gevangenis Richard van O. oplegt – permanent cameratoezicht, isolatie van andere gevangenen – overigens een probleem voor de verdediging, zeggen Van Kregten en Winius. Praktisch gezien. Opsturen kan niet, laptop mag niet. Van Kregten en Winius sluiten niet uit dat Van O. tijdens de zitting dingen over zichzelf zal horen die hij niet eerder zelf heeft kunnen lezen, en ze vinden dat een onaanvaardbare aantasting van zijn recht op verdediging.

Er zijn nog meer cijfers die dit dossier op een onaangename manier kenmerken. De cijfers één tot en met zes. Robert M. onderscheidde in het misbruik zes soorten handelingen, en hij had de beelden ook in die zes categorieën geordend op zijn computer. Voor die zes handelingen gebruikte hij zelf eufemistische namen, met woorden als vrucht, proeven en melk. Die nummers zijn in de verhoren aangehouden, voor de systematiek.

Zo komt iets onbevattelijks als ernstig misbruik van jonge kinderen dus in een dossier terecht: Verdachte M. die handelingen 2, 3 en 6 bij kind 076 verricht. En misschien is dat ook de enige manier om er over te kunnen praten.