Ze hebben me nooit kapot gekregen

Al jaren succesvol, maar hij werd weer geen sportman van het jaar. Miskenning van een kunstenaar, zegt zijn trainer. Maar Bob de Jong maakt zich niet druk. Hij rijdt de snelste vijf en tien kilometer van allemaal.

Bob de Jong in Thialf: „Je moet gewoon zorgen dat je elk jaar beter wordt.” Foto Laurens Aaij

Lachend toont Bob de Jong in de kantine van Thialf de andere schaatsers van de BAM-ploeg een van zijn eerste interviews, in een sportblad uit 1996. „Toen had ik dus ook al lang haar”, constateert de wereldkampioen op vijf en tien kilometer op een foto, terwijl hij de pagina omslaat. „Kijk, Pete Sampras stond toen nummer één op de wereldranglijst, Richard Krajicek was zevende.” Jonge ploeggenoten als Jorrit Bergsma en Bob de Vries zijn onder de indruk. Terwijl de tennissers allang gestopt zijn, behoort De Jong zestien jaar later nog altijd tot de beste schaatsers ter wereld. Maar of dat nou zo bijzonder is? „Je moet gewoon zorgen dat je elk jaar beter wordt.”

Bob de Jong (35) krijgen ze niet gauw gek. Al jaren doet hij wat hij het liefste doet: vijf en tien kilometers rijden. En dat doet hij weergaloos goed. „Ik heb het naar mijn zin.” Plezier is de kern. „Het is absoluut een prachtige beweging die je aan het doen bent. Je eigen tijden verbeteren, daar haal ik mijn inspiratie vandaan.” Kijk hoe hij Sven Kramer verslaat in Hamar, of ploeggenoot Bergsma in Thialf. Wat moet hij er nog over zeggen? „Eigenlijk ben ik een beetje klaar met interviews”, zegt De Jong na een teambespreking in Thialf. Maar bij een warme chocomel neemt hij toch de tijd. Om na afloop bijna zijn tas met schaatsen te vergeten.

„Bob is niet fit”, vertelt gewestelijk trainer en vertrouwensman Herman Nota later. „Hij moet alle zeilen bijzetten voor zijn belangrijkste wedstrijden van het seizoen: de wereldbekerfinale [dit weekeinde in Berlijn] en WK afstanden [eind maart in Heerenveen]. Het natuurijs, waar hij volop van heeft genoten, is zwaar geweest. Hij heeft allerlei pijntjes, is verkouden. En dan nog onder de dertien minuten rijden in Thialf, dat is echt een goede tijd. Maar het kraakt nu wel. Hij moet zorgen dat het niet breekt. Oogkleppen op, oren dicht en schaatsen.”

Nota trof De Jong voor het eerst in 1993 bij de IJsclub Haarlem en begeleidt hem op afstand nog steeds. „Voor belangrijke wedstrijden komt hij vaak naar Haarlem, om even in zijn slag te rijden op een drie kilometer. Bob heeft een vreselijk goed geheugen voor bewegen. Hij schakelt zo over van natuurijs naar de 400 meterbaan. Daar zet hij dan perfect zijn koers uit. Precies goed uitkomen voor elke bocht, voor elk rechte eind. Nergens een hazenpasje nodig, zo’n extra half slagje. Dat scheelt gerust 0,15 seconde per ronde. En als het technisch ergens wat hapert, komt hij desnoods tijdens de race overeind om zichzelf te corrigeren. Dat gevoel voor perfectie is de kunstenaar eigen. Bob is bovendien een heel ervaren kunstenaar.”

Zijn meesterwerken spreken voor zich. Als A-junior was hij in 1995 op de Haagse Uithof de toenmalige toppers Rintje Ritsma en Falko Zandstra de baas op de tien kilometer. „Eigenlijk heb ik liever een twintig kilometer”, lachte De Jong toen. Even later volgde in Calgary zijn eerste wereldrecord, op de drie kilometer. Bijna stiekem creëerde hij schitterende tien kilometers in Baselga (wereldrecord op buitenijs in zijn eerste race op klapschaatsen) of bij de Spelen van Nagano (zilver, in de schaduw van Gianni Rommes goud). Of voor het oog van de wereld in Turijn 2006 (olympisch goud) en vorig jaar in Inzell, waar hij oppermachtig was op vijf en tien kilometer, en zijn totaal bij de WK afstanden bracht op zeventien medailles (zes goud).

‘Sportman van het Jaar’ mocht hij er opnieuw niet mee worden. Als olympisch kampioen moest hij in 2006 wereldkampioen baanwielrennen Theo Bos laten voorgaan. Nu gaven de verzamelde Nederlandse topsporters de voorkeur aan turner Epke Zonderland. „Neuh dat steekt niet hoor”, zegt hij. „Ik rijd lekker mijn wedstrijdje, vijf en tien kilometer. En daar verbeter ik me iedere keer nog in. De tijd liegt nooit. Bij zo’n prijs heb je te maken met een jury en met jurysporten heb ik niks. Daarom ben ik juist gaan schaatsen.”

En toch. Verguisd na een echec in Salt Lake City in 2002, genegeerd door de commerciële ploegen, als olympisch kampioen in 2006 botweg uit de ploeg gezet door coach Ingrid Paul. „Gekke Bob”, plaagde Kramer na een overwinning eind 2009. Lacherige benadering na tv-optredens in Peking Express of Dancing with the Stars (vierde). Miskenning? De Jong zelf kan er niets mee, hoeft er ook niets mee. „Volgens mij moet je je leven zo invullen zodat jij het naar je zin hebt. Je gevoel volgen. Ik vraag me niet af wat anderen daarvan denken. Ik heb mijn dingen gedaan en mag, denk ik, tevreden zijn met wie ik nu ben.”

Volgens Nota heeft De Jong zich als persoon enorm ontwikkeld. „Bob is allang niet meer de naïeveling die hij was. Zijn charme heeft hij behouden, maar hij weet heus wel hoe de dingen zitten. Dat hij weg moest bij Telfort, heeft hem ten onrechte veel geld gekost. En ik vind het beschamend dat hij geen Sportman van het Jaar is. De Nederlandse sporters miskennen wat een fantastische sportman Bob is. Hij is al jarenlang de schaatser die de meeste decibellen genereert in Thialf. Maar blijkbaar moet de erkenning uit Noorwegen komen.”

In Hamar ontving De Jong onlangs de Oscar Mathisentrofee, als beste schaatser van 2011. En dat vindt hij dan weer wel leuk. „Toen ik van de zomer werd gebeld, moest ik even denken. Welke prijs? Dan besef je ineens: wow! Alleen de groten uit de schaatshistorie hebben hem gewonnen. Het is niet alleen een schaatsbeker, maar een sportprijs die in heel Noorwegen bekend is. Ik liep ermee op het vliegveld en de mensen herkenden de trofee.”

Was vorig seizoen zijn beste ooit? „Dit seizoen”, verbetert hij direct. Het waarom is volgens hem ook simpel. „Om te blijven verbeteren moet je steeds nieuwe dingen doen. Dan blijf je ook fris in je kop. Ik riep in 2000 al dat ik meer marathons wilde rijden. Sinds vorig jaar doe ik dat ook. Ik ben wel zuinig op mijn lijf, maar ga geen risico’s uit de weg. Als ik op natuurijs wil rijden en het kan, dan doe ik dat. Daar heb ik veel motivatie uit gehaald.”

In de BAM-ploeg van coach Jillert Anema, eerder fysiotherapeut bij TVM, gedijt hij qua sfeer en trainingsaanpak. Op de achtergrond is er steun van vertrouwensman Nota en jeugdvriend Hein-Jan Bocxe. Maar afhankelijk voelt hij zich van niemand. „Ik ben absoluut zelfstandig, noem mij een zelfstandige met personeel. Maar dat personeel is wel heel belangrijk. Ik moet er niet aan denken dat ik zelf mijn schema’s zou moeten maken. Nu zeg ik gewoon : Jillert weet wat goed voor me is.”

Hij volgt al zijn eigen weg sinds hij in Leimuiden naar school fietste over het Joop Zoetemelkpad, vernoemd naar de achterneef van zijn vader. Op een dienblad van een berg af? De Jong probeerde het. In een auto zonder licht over een aardedonkere weg? Waarom niet. Wilde een trainer dat hij ook de korte afstanden zou doen? Waarom wel. Als wedstrijdvoorbereiding reed hij in een laatste training gerust twee rechts- in plaats van linksom. Van TVM terug naar het gewest Zuid-Holland, van Telfort naar Berlijn: De Jong deed het gewoon. Weer een nieuwe trainer? „Ze hebben me nooit kapot gekregen.”

Al weten weinigen dat het in 2001 bijna gedaan was met zijn carrière. „Ik had toen mijn rug aan gort. Op trainingskamp in Calgary was ik totaal klaar. We hadden daarna in Nijmegen de perspresentatie. Ik ben daar jankend weg gegaan. Dat was de enige keer in mijn leven dat ik met tranen van het ijs ben gegaan. Omdat het gewoon echt niet meer ging. Maar dat is al elf jaar terug.”

Zie de tien kilometerschaatser lijden, elke wedstrijd weer. „Zo kijk ik er helemaal niet naar”, zegt De Jong. „Ik geniet gewoon onderweg. Het gaat toch hard? Dat is toch prachtig? En die pijn, die is juist heerlijk. Als ik een berg op fiets achter die 60 kilomannetjes van mijn ploeg aan, dan vraag ik me af wat ik daar doe. Dat doet vervelend pijn. Maar vijf of tien kilometer op een ijsbaan, dat is mijn terrein. Daar rijd ik lekker mijn rondjes. Ook omdat ik weet dat er niemand beter is.”

Wereldtitels verdedigen en dan lekker uitrusten? „Nee, die behoefte heb ik niet. Ik zie nou al op tegen de zondagavond na de WK afstanden. Dan wordt er feest gevierd. Geef mij maar weer een wedstrijd. Ik zit al te puzzelen of ik de week erna niet ergens een wielerwedstrijdje kan rijden. Heb ik een excuus om niet naar dat feest te hoeven.”