Wat de pil ons bracht

Vijftig jaar geleden, in 1962, werd in Nederland de anticonceptiepil goedgekeurd. Drie vrouwen blikken terug op de vrijheid, de hoop en de rust die de pil hen bracht.

Henriëtte Theunissen, jaren zestig (links) en Henriëtte Theunissen nu (boven).

Rudi Wester, blond haar en rode mond, komt als eerste binnen, te vroeg. Inez van Eijk en Henriëtte Theunissen zijn precies op tijd. Ze zaten in dezelfde tram, maar dat merkten ze pas toen ze uitstapten. Restaurant Amsterdam in Amsterdam, donderdagmiddag één uur. We gaan het over de pil hebben, vijftig jaar pil, en wat die met hun leven gedaan heeft. Maar eerst moet er eten worden besteld.

Rudi tegen Henriëtte: „We zouden moeten doen wat we in Parijs altijd deden en oesters nemen.”

Henriëtte: „Of kreeft. Nee, garnalenkroketjes.”

Rudi: „Doe jij de garnalenkroketjes, neem ik de oesters.” Tevreden. „Het doet me zo aan Parijs denken.”

Henriëtte: „Jaaaah, Parijs. Ik neem ook de oesters.”

Inez: „Ik kan er niet tegen dus ik neem… de mozzarella met gestoofde tomaatjes.”

Geen wijn. Water.

Vrouwen van rond de zeventig zijn ze, maar toch zijn ze geen zeventig. Henriëtte, slank als een ballerina, heeft rode laarzen aan onder een strakke broek. Inez, zacht bruin haar, zachte stem, draagt een getailleerd jasje op een zwart rokje. Geen facelifts, geen botox. Ze horen bij de eerste vrouwen in de jaren zestig die zich niets meer aantrokken van wat er van hen verwacht werd. Ze gingen studeren, werken, carrière maken. Ze hadden seks met wie ze wilden.

Inez van Eijk (Amsterdam, 1940) was lerares, conrector, redacteur en hoofdredacteur van de Spectrum Encyclopedie. Ze werkte voor het Algemeen Handelsblad en schreef boeken over taal en etiquette en nog veel meer. Henriëtte Theunissen (Roermond, 1943) werkte bij Het Parool, de VARA (het eerste feministische radioprogramma), bij Trouw, de Haagse Post en de VPRO. Ze was researcher voor documentaires bij de NOS, later de NPS.

Rudi Wester (Leeuwarden, 1943) was lerares, literair journalist, directeur van het Literair Productie- en Vertalingenfonds en van het Institut Néerlandais in Parijs. Ze heeft net een roman gepubliceerd over een groepje VU-studentes uit de jaren zestig, wat ze van hun leven gemaakt hebben, Vriendinnen van vroeger, vrouwen van nu. Inez en Henriëtte zijn vriendinnen van haar, maar het boek gaat niet over hen.

Als het eten op tafel staat, komen ze ter zake. De pil dus, 1962.

Inez: „De pil, ja. Maar ik kreeg hem niet.”

Henriëtte: „Kreeg je hem niet? Heb je het wel geprobeerd?”

Rudi: „Je moest 21 zijn en getrouwd, en al kinderen hebben. Ik kreeg hem ook niet. Een vriendin van me kreeg hem wel, want haar vader was huisarts.”

Inez: „Ik had een ring, op mijn achttiende, in 1958.” Een rubber ring in de schede, ouderwets anticonceptiemiddel. „Toen de pil kwam, ben ik naar een gynaecoloog op de Weteringschans gegaan. Hij nam me bij de hand en leidde me naar een schilderij van zijn vrouw met hun kind. Hij zei: dat is toch prachtig? Dat wilt u toch niet missen? Ik heb moeten wachten tot 1965.”

Rudi: „Je kreeg hem alleen als je de weg wist.”

Inez: „En ik wilde me vrijelijk op het liefdespad bewegen. Maar niet op mijn achttiende al, hoor. Toen had ik dus die ring, maar ik had ook een vast vriendje en ik vond seks doodeng. Mij was er thuis nooit iets over verteld. Ja, op een dag lag er een boekje, Ontbloeiend wonder, maar dat ging dus over bloemen…”

Henriëtte: „…en bijtjes.”

Inez: „En hoe mooi het was tussen man en vrouw… Maar hoe dan?”

Henriëtte: „Ja, hoe dan?”

Rudi: „In mijn kringen circuleerde het boekje Meisjesvragen, waarvan het hoofdstuk ‘Wat is er mis met zelfbevrediging?’ me is bijgebleven. Daar was van alles mis mee. Je moest voor een open raam gaan liggen om af te koelen.”

Inez: „Je wist alleen iets van de biologielessen op school, de mens als zoogdier.”

Rudi: „Ik ben de pil gaan slikken toen ik getrouwd was, in 1966. Voor die tijd niet, en dus had je continu de angst om zwanger te raken. Seks was leuk, maar die angst overheerste eigenlijk alles.”

Inez: „Toch deed je het.”

Rudi: „En elke keer nam je weer het risico, krankzinnig. En de jongens, die durfde je dus niet zo heel hard te vragen of ze een condoom wilden gebruiken, want dat vonden ze niks.”

Ontmaagd

Henriëtte: „Ik ben de pil gaan slikken na mijn abortus. Ik was met Frank...” Beeldend kunstenaar, twaalf jaar ouder dan zij. Ze kende hem uit café Scheltema op de Nieuwezijds Voorburgwal. „... en die heeft me ontmaagd, op mijn eenentwintigste. Ik had voor hem al veel vriendjes gehad, maar ik was doodsbang voor seks, doodsbang om zwanger te raken. Ik had steeds het beeld van mijn moeder voor ogen, met een dikke duik. Die trouwde op haar tweeëntwintigste en had op haar tweeëndertigste acht kinderen. Helaas hield ze niet van kinderen.”

Rudi: „Wij hadden geen moeders aan wie we een voorbeeld konden nemen.”

Henriëtte: „Ik woonde tien dagen in Amsterdam toen ik in de armen van Frank viel. Hij was stomdronken toen hij me ontmaagde. We waren in het huis van een redacteur van het Handelsblad en die belde me de volgende dag op. Mij dus, hè. Niet Frank. ‘Zeg, je moet wel de lakens wassen.’

Inez: „En toen?”

Henriëtte: „Ik was meteen zwanger. Frank had het te druk om zich ermee te bemoeien. Hij was nog getrouwd en zijn vrouw, zijn derde vrouw, had net een kind, en toen ben ik via via bij een gynaecoloog gekomen. Hij heette Van Soest.”

Inez, knikkend: „In de Viottastraat.”

Henriëtte: „Die ja. Hij was heel zakelijk. Hij vroeg: wat verdien je? Ik werkte toen bij De Telegraaf op de opmaakafdeling. Ik zei: 325 gulden in de maand. Oké, zei hij. Dan kost het je 325 gulden en je mag niemand iets vertellen. Hij had wel een briefje nodig van de huisarts en van de psychiater. Ik woonde nog maar net in Amsterdam, dus ik had geen huisarts. Elke middag in de pauze ging ik op zoek naar een huisarts die een briefje voor me wilde schrijven.”

Rudi: „En ze deden het niet.”

Henriëtte: „Nee, want dan waren ze strafbaar. Ik was al bijna vier maanden toen ik er één vond die het wilde doen, en toen moest ik nog naar de psychiater. Die zei: nee. Ik werd hysterisch. Hystérisch. Toen zei hij: oké, oké, ik geef je dat briefje, maar dan moet je beloven dat je daarna bij me terugkomt. Heb ik natuurlijk nooit meer gedaan.”

Inez: „En toen?”

Henriëtte: „Toen heeft de gynaecoloog het gedaan. ’s Nachts moest ik plassen, dacht ik, en ik kon niet meer ophouden en toen zag ik opeens een bloedspoor. Frank sliep bij mij en ik riep: Frank! Frank! Maar hij was te dronken om wakker te worden.”

Rudi: „Vreselijk. Middeleeuws.”

Inez: „Ik ben ook bij die gynaecoloog in de Viottastraat geweest, want ondanks die ring was ik zwanger geworden. Men had me geadviseerd om te zeggen dat ik een curettage wilde, geen abortus. Ik was 22 of 23, en de jongen van wie het was vond het enig dat ik zwanger was. Maar ik wilde absoluut geen kind. Ik moet zeggen: hij heeft wel meebetaald aan die abortus. Bij de gynaecoloog stortte ik al dat geld op zijn bureau uit, munten en briefjes. Hij deed het zonder verdoving, voor straf.”

Henriëtte: „Toch was het een verbetering, want de breinaald was erger.”

Inez: „Ik was van de trap gesprongen. Ik ben in een heet bad gaan zitten met vijftig kininepillen. Ik had een drankje gehaald in een smoezelig winkeltje bij het Oudekerksplein.”

Henriëtte: „Oudekerksplein? Daar woonde ik om de hoek. Wat voor drankje was dat?”

Rudi: „Ik heb me altijd heel sterk gemaakt voor het recht op abortus.”

Inez: „Het was voor mij de reden om me aan te sluiten bij Man Vrouw Maatschappij.” Feministische actiegroep, in 1968 opgericht door Joke Smit en Hedy d’Ancona. „Het recht op abortus en het recht op werk.”

Rudi: „Zelf heb ik nooit een abortus gehad, want achteraf bleek ik helemaal niet zo vruchtbaar. Met veel moeite heb ik één dochter gekregen.”

Inez: „Ik wilde ze niet, kinderen. Ik heb er nog steeds geen spijt van. Ik ben wel getrouwd geweest met een man die twee kinderen had. Met één van hen trek ik nog steeds op en die heeft ook weer kinderen.”

Rudi: „Ideaal. Mijn man had ook een zoon uit zijn eerste huwelijk.”

Henriëtte: „Ik heb één zoon.”

Inez: „Ik was heel bang dat ik zou worden als mijn moeder. Die was altijd aan het mopperen en kankeren. En ik denk dat dat kwam omdat ze beknot was in haar ontwikkeling. Ze had iets moeten gaan doen. Ik was haar enige kind.”

Henriëtte: „Ze heeft zich kapot verveeld.”

Inez: „Ik kwam pas na tien jaar.”

Henriëtte: „Zo moet het voor heel veel vrouwen geweest zijn.”

Inez: „Ze was secretaresse geweest bij een bank. Ze sprak Engels, Duits en Frans, en van de ene op de andere dag zat ze op een verdiepinkje aan de Wilhelminastraat. Mijn vader ging om acht uur naar zijn werk en om negen uur was dat verdiepinkje wel afgestoft. Ze had geen vriendinnen en dan ging ze maar naar haar moeder in Amsterdam-Noord. Heel treurig. Ze had ook niets met seks.”

Henriëtte: „Hoe weet je dat?”

Inez: „Dat vertelde ze me toen ik het plan had opgevat om haar te gaan interviewen. Ik ben er meteen weer mee gestopt.”

Henriëtte: „De pil gaf een hoop rust.”

Rudi: „Je kon eindelijk echt van seks genieten.”

Inez: „Ik vond het al leuk, door die ring.”

Rudi: „En oudere mannen waren leuker dan jongens van mijn leeftijd. Die hadden geen idee wat ze moesten doen om het voor jou leuk te maken. Mijn eerste man was veertien jaar ouder.” Reclameman. Café Scheltema.

Inez: „Ik heb ook een tijd een relatie met een oudere man gehad. Veel leuker.”

In een portiek

Henriëtte: „Ik kwam uit Roermond en ik dacht: in Amsterdam is het heel gewoon dat je het in een portiek doet of in een schuurtje achter de huizen. Later wist ik: dat was echt die tijd.”

Rudi: „Op een gegeven moment begon het uit de hand te lopen, begin jaren zeventig. Je was op een feestje en dan zaten mannen opeens in je kruis. Je liet het toe omdat je dacht dat het zo hoorde.”

Inez: „Het was een rare tijd. Op feestjes verdwenen mensen zonder wat te vragen in de slaapkamer van de gastvrouw. Daarna verdween het volgende stel.”

Rudi: „Dat gebeurt nog wel, hoor.”

Inez: „Maar ik kom niet meer op dat soort feestjes. Het verschil is ook dat de jongens en meisjes nu jonger zijn.”

Henriëtte: „Veel jonger. Twaalf, dertien, veertien.”

Inez: „Ik ging op mijn veertiende op dansles, en de dansleraar lette er goed op dat we afstand hielden. En ik maar denken: wat hebben die jongens toch een rare sleutelbos in hun broek.”

Rudi: „Iedereen deed er zogenaamd uit vrije wil aan mee, maar ik denk dat heel veel meisjes wel eens dachten: nou.”

Inez: „Mijn losbandigheid in die jaren was vooral om mijn moeder te laten zien – nou ja, ze zag het natuurlijk niet – dat ik anders was dan zij. In 1972 trouwde ik en je mocht vooral niet elkaars bezit zijn, dus als mijn man een keer niet thuis kwam, mocht ik niet jaloers zijn en er niets van vinden.”

Henriëtte: „Ik was wel jaloers, maar niet losbandig. Heel jaloers, want Frank ging veel met andere vrouwen.”

Rudi: „Ik had tientallen vriendjes, achter elkaar en tegelijk. Ik vond seks heel leuk.”

Inez: „Ik heb nog eens in mijn oude agenda’s opgezocht hoe lang zo’n relatie stand hield, en dat was toch vaak wel een paar maanden. Ik heb wel meegemaakt dat een vriendje bij mijn ouders op bezoek kwam en dat ik met een ander vriendje de stad in was.”

Henriëtte: „Ik nam Frank ook wel mee naar mijn ouders. Zei mijn vader: ga zitten en wat doe je voor de kost?”

Inez: „Mijn vader ging filosofische gesprekken met zo’n jongen zitten voeren.”

Rudi: „Echt waar? Ik nam mijn vriendjes nooit mee naar huis. Maar ik kijk wel met veel plezier terug op die tijd. Helemaal niet: schande.”

Inez: „Mmm, ik denk achteraf dat ik meer op zoek was naar warmte en liefde. Er waren begeerlijke types en dan dacht ik: die moet ik zien te krijgen. Maar het was meer uit armoede dan uit de volheid van het bestaan. Beetje jammer dat het niet ontspannener was. Ik ben nu veel ontspannener dan toen.”

Henriëtte: „Ik ben zeven jaar met Frank geweest en ik heb veel van hem geleerd, onder andere dat je ook met je handen kunt eten en zomaar naar Parijs kunt gaan. Na hem heb ik drie maanden een ruige periode gehad en toen kwam ik Pieter tegen en daar ben ik nu al veertig jaar mee. Niet helemaal trouw, maar wel zo’n beetje.”

Rudi: „Ik ben 23 jaar getrouwd geweest, daarna heb ik nog een aantal lange relaties gehad. Nu is het wel mooi geweest. Een man kost veel tijd en ze gaan altijd zeuren. Dat ik te lang in het café hang. Dat ik te laat nog werk. ”

Inez: „Ik wil het ook niet meer. Geen ruimte in mijn leven. Dat merkte ik toen ik iemand had laatst. Dat ‘wij’-idee, en dat je te maken krijgt met zijn kinderen. Ik heb er helemaal geen zin meer in. En dat je ze moet meenemen naar feestjes – bah.”

Rudi: „Een groot voordeel van een scheiding is dat je van je schoonfamilie af bent.”

Henriëtte: „Ik zou er ook niet aan moeten denken om nog eens opnieuw met iemand te beginnen, maar ik vind het wel fijn dat ik met Pieter ben.”

Make-upspiegeltje

Rudi Wester en Henriëtte Theunissen gaan naar buiten om te roken. Inez blijft achter. Ze zegt: „Het leuke van ouder worden is dat je zonder consequenties kunt flirten. Leuk als iemand jou leuk vindt en het hoeft nergens toe te leiden.” Ze pakt een make-upspiegeltje en doet voor hoe je vroeger kon flirten met een man die achter je zat. „Sowieso zie ik veel voordelen aan ouder worden. Het leven is prettiger en ik kan het steeds beter met mezelf vinden. En uiteindelijk ben je toch alleen met je zelf.”

Als iedereen weer zit, met koffie en taart, zegt Henriëtte: „Op een dag vroeg mijn zoon: wat is feminisme? Hij kwam net boven de tafel uit. Ik zei: dat leg ik je later nog wel eens uit. Nee, nee, hij wilde het nu weten. Kennelijk was het in die tijd een enorm item. Ik was op een gegeven moment zo anti-man, dat vrienden zich van me af begonnen te wenden. Toen dacht ik: wat een onzin. Ik ben bij de VARA weggegaan en voor Trouw gaan werken. Ik heb altijd mijn eigen geld verdiend. Maar dat heeft te maken met onafhankelijkheid.”

Rudi: „Dat heeft mij ook altijd gedreven, onafhankelijkheid. Je eigen beslissingen willen en durven nemen. Daarom was ik zo graag directeur. Maar echt geaccepteerd was het niet. Ik schreef eens een column voor Opzij waarin ik de voordelen van fulltime werken beschreef. Daar kreeg ik veel nare reacties op.”

Inez: „Onafhankelijkheid is voor mij altijd vanzelfsprekend geweest, mijn vader heeft me ermee opgevoed. Daarom was ik actief in Man Vrouw Maatschappij. Ik vond dat mannen ook niet zo in hun rol moesten worden vastgepind. De enorme anti-mannenhouding die er bij Opzij op een gegeven moment was, die stoorde me ook.”

Rudi: „Vreselijk.”

Henriëtte: „Vreselijk.”

Inez: „Ik hield in het hele land lezingen voor Man Vrouw Maatschappij en soms zat ik op de terugweg in de trein te wenen, zoveel agressie. Op de Hogeschool Twente goot een student een glas bier over me heen, vanaf de reling. Ik heb wel eens een drol door de brievenbus gehad.”

Henriëtte: „Een wat?”

Inez: „Een drol.”

Rudi: „Middeleeuws.”

Inez: „Ik kreeg mannen aan de deur, we komen jou een beurt geven, want dat hebben jullie nodig. Ze begrepen niets van ons.”

Rudi: „Ze vonden ons bedreigend.”

Inez: „En we waren zo leuk.”