Column

Vrijbuiter Triplex

Illustraties dienen om de verbeeldingskracht van de lezer te helpen. Een griezelverhaal speelt zich af in een oud, vervallen huis dat bewoond wordt door de geest van de voorvader die daar in 1812 vermoord is. Zijn nazaten hebben het nog steeds in eigendom, maar niemand durft er te komen omdat de omwonenden verzekeren dat het er spookt. De dode is uit zijn graf herrezen. Het stoffelijk omhulsel beweegt nog regelmatig, laat af en toe een akelig zuchten horen en gedraagt zich agressief tegen bezoekers. Hoe moeten we ons zo’n boos lijk van een jaar of 250 voorstellen? Geen nood, een begaafde tekenaar weet raad en het kind dat op zijn tiende dit plaatje ziet, zal het zich op zijn tachtigste nog herinneren. Dat is de waarde van de illustratie die door geen beschrijving overtroffen wordt.

Van mijn vader heb ik zes delen Nederlantsche oorloghen van Pieter Bor Christiaenszoon geërfd. De Loe de Jong van de Tachtigjarige Oorlog. Het werk, verschenen in de eerste helft van de Gouden Eeuw, is rijk geïllustreerd met realistische gravures. Dankzij die plaatjes weet ik dat wat er nu in Homs gebeurt, geen uitzondering is. De manier waarop in 1566 onze voorouders in de Beeldenstorm tekeer zijn gegaan, is door de illustratoren van Bor haarscherp in beeld gebracht. Zo konden wij kinderen het ons bij de verhalen van de geschiedenisleraar niet voorstellen.

Plaatjes helpen het altijd weer tekortschietende voorstellingsvermogen en zijn daardoor een aanvulling op de waarheid. Maar het kan ook anders. Een illustratie kan ook in zichzelf een waarheidsgehalte hebben dat de concrete werkelijkheid overtreft. Dat klinkt te ingewikkeld. Ik geef een voorbeeld. Toen ik een jaar of twaalf was, kreeg ik een boek van Paul d’Ivoi, Vrijbuiter Triplex. Deze Franse schrijver die geleefd heeft van 1856 tot 1915 is vrijwel vergeten. In dit boek staat een gravure die me bijzonder boeide, of dat is te zwak uitgedrukt, ik raakte eraan verslaafd. In de schemering aan het dek van een duikboot op volle zee zie je drie mannen. Degene die uiterst links staat, wijst met gestrekte arm naar de kust; zijn haren wapperen in de storm. De middelste heeft een tropenhelm op. Uiterst rechts staat een matroos die een vuurpijl afsteekt; een vuurstraal gaat sissend de lucht in. Dat kun je op dit plaatje horen. Golven slaan over de staalplaten van het dek; duidelijk zijn de klinknagels te zien.

De jaren gingen voorbij. Zoals dat met zoveel gebeurt, is dit boek ergens onderweg verloren gegaan, maar dat gold niet voor de herinnering aan deze illustratie. In mijn achterhoofd bleef het verlangen naar een weerzien sluimeren. Iedere vrijdag loop ik over de Boekenmarkt aan het Spui, en toen, veertien dagen geleden, werd ik door een besluit overvallen. In het wekelijks gesprek met de bevriende antiquaar vroeg ik plotseling of hij Vrijbuiter Triplex weleens tegenkwam. Nee, die had hij al een hele tijd niet gezien, maar als ik dat wilde zou hij zijn best doen. Ik wilde en vorige week vrijdag was het zo ver. Uit een kistje onder de toonbank haalde hij het boek van mijn verlangen.

Begerig greep ik ernaar en begon ik meteen naar het plaatje te zoeken. Maar dit was een andere uitgave, een soort verzameld werk. Ik kon de duikboot niet zo gauw vinden. Ik betaalde tien euro, trok me terug in een café en begon aan een rustig onderzoek. En daar, op pagina 185 was plotseling na al die jaren de schok der herkenning. Of meer dan dat. Een tijdmachine had me binnen een paar seconden naar 1939 vervoerd. Er zijn plaatjes die niet alleen uit een voorstelling bestaan. Ze hebben ook een sfeer, een smaak, ze behelzen een kosmos. Het onderschrift hoort erbij. In dit geval: In de verte flikkerde een vuurgloed. Dat zijn geen illustraties meer; ze hebben zich een zelfstandig bestaan verworven.

Nadat ik me verzadigd had, begon ik in het boek te bladeren. Geen mystieke ervaringen meer, maar wel veel dat de moeite waard is. Eén voorbeeld: aan de rand van een nevelige kloof staat met gespreide armen een man. Aan de overkant een boom met daarnaast een paar ruiters. Op de voorgrond een kennelijk bewusteloze man en naast hem, zittend, iemand die we vroeger een inboorling noemden. De centrale figuur roept: ‘Velt den boom en maakt eene brug.’ Daar hoef je niets aan toe te voegen.

Dit boek is uitgegeven door Elsevier, in 1913. De tekst is ‘vrij bewerkt door Antoinette’ en de gravures zijn van een onbekende kunstenaar, ‘naar teekeningen van Louis Tinayre’. Allemaal in zekere zin tweedehands, maar dat maakt hier geen verschil. In deze tijd, of al sinds de uitvinding van de fotografie worden we blootgesteld aan een nog altijd aanwassende zondvloed van beelden, de laatste tijd ook in de krant. Geweldig! Aan u om uit te maken of ik daarmee blijk geef van mijn opgetogenheid of alleen het formaat beschrijf. De openbaring blijft voorbehouden aan de gravure.