Vraag jezelf: welke bijdrage kan ik leveren?

Liesbeth Spies (Alphen aan den Rijn, 1966) volgde in december Piet Hein Donner op als minister van Binnenlandse Zaken. De problemen bij woningbouwcorporatie Vestia waren toen al duidelijk. „Ik kan nu niet op mijn handen zitten.”

Genieten

„Soms moet ik mezelf even in mijn arm knijpen, om stil te staan bij de speciale zaken die ik beleef nu ik minister ben. Het afscheid van Herman Tjeenk Willink als vicepresident van de Raad van State was zo’n moment: een bijzondere zitting van de Raad van State waar ik als minister van Binnenlandse Zaken bij mocht zijn. Getuige zijn van zo’n historisch moment voor Nederland, met zo’n select gezelschap. Vergeet niet te genieten, denk ik dan.”

Ministerschap

„Vanaf moment één heb ik me welkom gevoeld binnen het kabinet. Het is een enorm voordeel dat ik geen kat in een vreemd pakhuis ben. Ik ken de weg, ik ken de mensen. Er waren geen nieuwe gezichten, toen ik voor het eerst de Trêveszaal binnenstapte.

„Terwijl het me best moeite heeft gekost om de knoop van overwegingen te ontwarren toen de partijleiding me vroeg. Ik had net een paar maanden een mooie baan als gedeputeerde van Zuid-Holland, daar lag mijn loyaliteit. En dan de wetenschap dat het bestaan als minister onzeker is... Het ministerschap was geen langgekoesterde meisjesdroom die in vervulling ging. Ik ben dicht bij het gevoel gebleven dat kennelijk deze verantwoordelijkheid nu voor mij aan de orde was. Ik krijg daar zeker geen spijt van. Nee. Ik heb volmondig voor het ministerschap gekozen, met alle risico’s en kansen van dien. Met de tussenonderhandelingen nu is duidelijk dat we voor een immens grote opgave staan. We gaan over een paar weken zien welke consequenties dat oplevert, ook voor mijn ministerie.”

Vestia

„Op vrijdag 16 december werd ik rond twaalven als minister beëdigd. Op mijn eerste dag heb ik over drie zaken gesproken: over de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, omdat je daar als minister van Binnenlandse Zaken nu eenmaal per direct verantwoordelijk voor bent. Over de verhoudingen binnen het Koninkrijk, omdat toevallig een aantal gouverneurs van de Antillen in Nederland was. Én over de situatie bij woningcorporatie Vestia: tegelijk met mijn aantreden werd in volle omvang duidelijk hoe groot de financiële problemen daar waren. In mijn eerste week heb ik direct met de raad van commissarissen en de toenmalig directeur [Erik Staal] gesproken. Dat was geen prettig gesprek.

„Ik heb daarna gelijk de ministerraad en Kamerleden geïnformeerd, persoonlijk en in vertrouwen. Mijn portefeuille is divers en omvangrijk, maar dit dossier heeft permanent aandacht. Er komt waarschijnlijk een parlementaire enquête, maar in de tussentijd kan ik niet op mijn handen zitten. We moeten kijken of de aanscherpingen op het toezicht op de corporaties zoals we die voor ogen hebben, voldoende toekomstbestendig zijn.”

Geen dubbele nationaliteit

„Je moet de realiteit onder ogen zien: er zijn afspraken gemaakt tussen drie partijen die deze coalitie mogelijk maken. Het aanscherpen van de eisen voor het Nederlanderschap zie ik in feite als teruggaan naar de oorsprong van de wet: de Rijkswet op het Nederlanderschap gaat ervan uit dat mensen in principe één nationaliteit bezitten. Dat je teruggaat naar dat uitgangspunt en dus de uitzonderingen schrapt, vind ik als minister van Binnenlandse Zaken verdedigbaar.

„Ik heb de onderhandelingen van dit kabinet vanaf een afstandje meegemaakt. En op het congres in 2010 heb ik vóór deze coalitie gestemd, omdat in het regeerakkoord veel elementen zijn opgenomen die passen bij het CDA-verkiezingsprogramma. Ik vind, alles afwegende, dat er een verdedigbaar akkoord is gesloten, en dan moet je loyaal zijn aan de uitwerking daarvan. Ook als je je bij sommige punten minder thuis voelt.”

CDA

„Ik volg met belangstelling de strijd rond het fractieleiderschap van de Partij van de Arbeid nu. Binnen de PvdA is het debat van de inhoud, van de koers van die club, nog nauwelijks gevoerd. Terwijl die vraag voor hen misschien wel nét zo ingewikkeld valt te beantwoorden als voor het CDA. Ik zie dat het bij de PvdA nu over die vijf kandidaten gaat. Terwijl we bij het CDA nu vanuit de inhoud kunnen bouwen. Het is héérlijk dat we sinds januari, sinds het rapport van het Strategisch Beraad naar buiten is gekomen, die discussie over het leiderschap eigenlijk niet meer hebben. Die is uit beeld verdwenen, en dat is heel goed. Inhoudelijk orde op zaken, en dan de poppetjes erbij. CDA’ers snakken ernaar om de discussie over de inhoud te voeren. Dat debat is nu volop aan de gang.”

Eigen plannen

„Ik wil de komende maanden een discussie beginnen die losstaat van de bestuurlijke organisatie van het land. Die niet gaat over het huurbeleid, het vlottrekken van de woningmarkt of de verhoudingen met het Caraïbische deel van Nederland. Ik wil debat over: wie doet wat binnen onze samenleving? Veel Nederlanders voelen zich betrokken bij hun wijk, hun vereniging, hun buurt, hun gemeente, ze willen méédoen. De overheid moet zich daarin misschien wel anders opstellen dan de afgelopen decennia. De overheid nam dingen over, uit handen, dacht dat ze het zelf beter kon. Terwijl de overheid misschien juist volgend moet worden, op initiatieven uit de samenleving moet ingaan.

„Deze week was ik op bezoek in Rotterdam-Zuid. Daar doet een team burgers elke veertien dagen een ‘schouw’. Dáár doet de straatverlichting het niet, dáár ligt troep op straat. Dat hangt op een prikbord, heel praktisch, en de gemeente reageert daar op. Die lamp hebben we gemaakt, morgen gaan we daar en daar heen. Het is misschien een klein, praktisch voorbeeld, maar ik denk dat de overheid tegemoet moet komen aan haar burgers, aan de moeite die zij doen. Daar moet de overheid waardering voor hebben, en dat aanmoedigen.”

Kerkblad

„Iets doen voor een ander, daarmee ben ik grootgebracht. Toen ik twaalf jaar werd, moest ik van mijn moeder voortaan het kerkblad rondbrengen op vrijdagmiddag. Dan deed je iets voor een ander, zonder dat je daar zelf ogenblikkelijk iets voor terugkreeg. Op die manier sta ik in het leven, en daarom ben ik ook de politiek in gegaan: probeer je bijdrage te leveren, op een manier die net even iets verder gaat dan je eigen huishouden en je eigen baan. Mijn ouders zijn nu 72 en 75 jaar, en ik geloof dat als zij weg zouden gaan uit de straat waar ze wonen, er heel wat mantelzorg zou wegvallen. Dat zit in je. Ik mag persoonlijk dan misschien niet goed zijn in ‘handen aan het bed’, maar als ik wel kan besturen, dan is dat mijn bijdrage. Ik vind ook dat iedereen zichzelf die vraag moet stellen: welke bijdrage kan ik leveren?”

Geloof

„Geloof geeft me rust en vertrouwen, een basis en een overtuiging vanwaaruit je probeert te functioneren. Het geeft me kracht en energie. Het is lastig om onder woorden te brengen, omdat het geloof zo’n diepe gevoelswaarde heeft. Het geeft me de overtuiging dat je er mag zijn, dat je naar beste eer en geweten je prestaties levert, maar ook dat het niet allemaal van jou afhankelijk is, of dingen lukken. Dat geeft me een zekere rust. Ik geloof niet in de voorzienigheid of het gestuurd zijn van bovenaf, maar ik houd het dicht bij mezelf, als bron voor inspiratie. Ik ga niet elke week naar de kerk, maar wel met regelmaat. Ook daar heb je weer een sociale functie: jezelf, maar ook anderen tot steun zijn door op zondagochtend daar in de kerk te zitten.”

Afspraken

In mei 2002 ging ik de Tweede Kamer in, en ik kan me nog goed herinneren dat ik met mezelf de afspraak maakte: ik ga hier mijn stinkende best doen, maar ik ga het wel op míjn manier doen. En dat is nu weer zo.

„De belangrijkste afspraak: de balans houden tussen werk en thuis. Het thuisfront is mijn basis, mijn man en mijn twee meiden. Als het thuis niet goed gaat, kun je je werk als minister ook niet doen. En thuis helpt om te relativeren wat je hier doet. Voordat je het weet, denk je dat je het centrum van het universum bent. Terwijl je thuis gewoon om je oren krijgt dat je de gymspullen van één van je dochters vergeten zou zijn.

„Je moet jezelf niet gek laten maken, het wordt vanzelf weer weekend. En wat ik elke ochtend doe: in alle vroegte onze hond flink uitlaten. Even het zweet op de rug door dat half uurtje stevig wandelen. Het zorgt ervoor dat je je hoofd weer leeg hebt. En de hond is altijd blij, dat scheelt ook.”