Vlam flakkerde, maar doofde niet

Paleontologie

Homo sapiens overleefde maar net, zegt Chris Stringer. Niet door zijn superioriteit, maar door toeval en cultuur.

Chris Stringer met een 10.000 jaar oude schedel van een vroege Homo sapiens uit Gough’s Cave in het Verenigd Koninkrijk: “Je kunt niet zomaar een schedelkromming aanwijzen en zeggen ‘het had zo moeten zijn’.” Foto Naturalis

Chris Stringer is een verteller. Het verhaal gaat over zijn tour langs Europese musea, begin jaren zeventig. Aan het verloop van de menselijke evolutie dacht de jonge paleontoloog toen nog niet. Hij had vooral praktische zorgen. Waar slaap ik vanavond? Geven conservatoren mij wel toestemming om hun fossielen op te meten?

Dat deden ze, op een enkeling die een schedel in zijn kast verstopt hield na. Stringer, tegenwoordig verbonden aan het Natural History Museum in Londen, verzamelde genoeg gegevens om te promoveren en maakte later faam als voorvechter van de Out of Africa-hypothese. De Britse paleontoloog heeft zijn laatste ideeën over het ontstaan van de moderne mens nu uitgewerkt in zijn boek The Origin of Our Species. Hij is even in Amsterdam, om over de Nederlandse vertaling te praten: Overlevers.

Dat uitgerekend Homo sapiens als enige menssoort op aarde overbleef vindt Stringer niet vanzelfsprekend. Onze evolutie verliep met horten en stoten. Zelf vergelijkt hij het proces met een flakkerende kaars die soms op het punt stond om uit te doven. Dat de vlam uiteindelijk definitief aanwakkerde had niets te maken met superieure genen of grotere hersenen. Het was vooral een kwestie van cultuur en demografie.

Stringer ziet bevolkingskrimp als de oorzaak van het flakkeren. Door deze bottlenecks nam niet alleen de genetische variatie van onze voorouders af, maar ging ook belangrijke kennis verloren. “Voor ons is dat moeilijk voor te stellen. Tegenwoordig blijven goede ideeën bewaard en wordt erop voortgebouwd”, vertelt Stringer. “Maar in de Steentijd was dat anders. Mensen leefden in kleine gemeenschappen en hadden weinig contact met groepen om hen heen. Lokale uitvindingen konden uitsterven voordat ze wijd verbreid raakten.”

Stringer noemt Tasmanië als modern voorbeeld. De Europese ontdekkingsreizigers die het eiland in de zeventiende eeuw als eerste westerlingen bezochten troffen een volk met eenvoudige technologie. De Tasmaanse aboriginals maakten geen netten, speren of boemerangs. Maar hun voorouders deden dat wel: archeologen hebben in Tasmaanse grotten visgerei en benen naalden gevonden.

Het kennisverval zette in toen Tasmanië geïsoleerd raakte van het Australische continent, na de laatste IJstijd. De zeespiegel steeg, territoria en populaties krompen. “In tijden van schaarste gaan mensen conservatieve en veilige keuzes maken”, zegt Stringer. Een kleine stam besluit bijvoorbeeld om voorlopig niet meer te vissen, maar om op zeehonden te jagen. “Na een paar jaar zeehonden vangen zijn ze het hengelen verleerd.”

Groene Sahara

Kenniskrimp trof ook onze Afrikaanse voorouders. “In Zuid-Afrika zijn bij Howieson’s Poort stenen pijlpunten gevonden van 65.000 jaar oud. Ze waren vrijwel zeker met oker of gom bevestigd op houten schachten.” Samengestelde wapens dus, vervaardigd met zorg en planning. Bij Howieson is zelfs primitieve kunst gevonden, in de vorm van bekraste okerblokjes en schelpenkettingen. “Maar 5.000 jaar later is de complete Howiesoncultuur verdwenen. Pas na 40.000 jaar verschenen er weer pijlpunten in deze regio.”

Zo verschoof het brandpunt van de moderne mens over Afrika. Misschien lag dat punt 200.000 jaar geleden in Ethiopië en verschoof het 120.000 jaar geleden naar het noordwesten, toen rivieren door een groene Sahara stroomden. Toen 75.000 jaar geleden de regio verwoestijnde werd juist het voorheen dorre Zuid-Afrika koeler en natter. Steeds bloeide sapiens even op en verwelkte weer.

Pas met het ontstaan van grote, stabiele populaties was technologische vooruitgang gegarandeerd. Stringer denkt dat Afrikaanse Homo sapiens 50.000 jaar geleden deze kennisgrens naderden. “De bevolkingsdichtheid nam toe, netwerken werden compacter. Dat had een aantal redenen. Onze voorouders leefden langer dan de meeste Neanderthalers. Die waren dood op hun veertigste. Door overleving van de grootouders bij Homo sapiens nam de kennisoverdracht tussen generaties toe.

“Bovendien hadden Neanderthalers een kortere jeugd. Op hun veertiende waren ze volwassen en moesten ze mee op jacht. Onze kinderen groeien langzamer op. Ze hebben meer tijd om te leren en meer mensen om hen heen om ze te onderwijzen.” Met elke generatie kwam Homo sapiens dichter bij het kantelpunt waar kennis zich sneller opstapelt dan dat het vervalt. De kaars bleef branden.

Voorheen filosofeerden antropologen over biologische of sociologische revoluties om het ontstaan van complexe gereedschappen en kunst te verklaren. Alsof er een vonk oversprong in de hersenen van onze voorouders. Plots was daar taal, religie, of het vermogen tot abstractie. Sommige onderzoekers zijn nog steeds op zoek naar die ene mutatie, of die verandering in ons brein die ons boven onszelf liet uitstijgen.

Stringer: “Tien jaar geleden had ik nog sympathie voor dit idee, maar nu zie ik die plotselinge verschijning van moderne eigenschappen niet meer. Je kunt niet zomaar een moment of een schedelkromming aanwijzen en zeggen ‘het had zo moeten zijn’. Ga 200.000 jaar terug, verander het klimaat in Afrika en ons verhaal was totaal anders verlopen.”

Goede jagers

Het liep niet anders: het waren onze voorouders die de Neanderthalers verdrongen en niet andersom. Dat lag niet zozeer aan de biologische verschillen tussen sapiens en neanderthalensis, denkt Stringer: “Neanderthalers waren geëvolueerde mensen, hun hersenen waren groter dan de onze. Ze begroeven hun doden, gebruikten pigment en maakten wapens met een heft en blad. Het waren goede jagers.”

Maar toen kwam Homo sapiens. “Mag ik je pen even lenen?”, vraagt Stringer. “Tussen 50.000 en 30.000 jaar geleden deed het klimaat van Europa dit.” Hij krast een hoekige lijn. “Kou en warmte wisselden elkaar af. Na één van die koudeperiodes gebeurde er dit.” Hij tekent nu twee aflopende lijnen. „Dit zijn de populaties van Neanderthalers en moderne mensen. Kijk, nu warmt het klimaat weer op.” Onze lijn kruipt mee omhoog. De Neanderthalerlijn daalt.

Want het ijs trok zich terug en nieuwe voedselgebieden kwamen beschikbaar. “Ineens moesten de Neanderthalers met moderne mensen wedijveren om dezelfde dieren, dezelfde planten en dezelfde grotten”, vervolgt Stringer. De moderne mensen waren daarvoor beter toegerust. “De Neanderthalers trokken zich terug in de heuvels. Een slechte plek, zeker als het koud is en het voedsel schaars.”

In het grillige Europa waren de Neanderthalers sowieso kwetsbaar. Nog vóór de eerste Homo sapiens Europa bereikten was hun genetische diversiteit gevaarlijk laag, blijkt uit een studie die onlangs verscheen (Molecular Biology and Evolution, 26 februari).

Meer nog dan onze voorouders moeten de Neanderthalers hebben geleden onder kenniskrimp. In het Duitse Schöningen zijn prachtige speren van sparrenhout gevonden. Ze zijn ongeveer 300.000 jaar oud en moeten door vroege Neanderthalers vervaardigd zijn. Het zwaartepunt ligt voorin de speer, net als bij moderne toernooisperen. In een veldproef wierp een atleet een replica 70 meter ver.

Wat gebeurde er met deze technologie? Slaagden Neanderthalers erin om het vakmanschap van generatie op generatie door te geven? Of werden de speren vergeten? Hoe dan ook, het verlies aan genen, technologie en mensen was uiteindelijk meer dan de Neanderthalers dragen konden. Stringer: “De kaars van de Neanderthalers flakkerde, en doofde uit.”