Vermaak wint het van verdedigen

Het aantal tegendoelpunten in de eredivisie stijgt, ook bij topclubs als PSV en Ajax. Kunnen de Nederlandse clubs nog wel verdedigen?

Duitsers winnen altijd in de laatste minuut. Italianen gaan voor het hok liggen. Ieren stropen de mouwen op. Schotten worden schlemielig uitgeschakeld. En Nederlanders? Die kunnen niet (meer) verdedigen.

Over vooroordelen gesproken.

De eredivisie is een Mickey Mouse-competitie. Deze bijnaam dankt zij aan de vele titelkandidaten, de wekelijkse doelpuntenregen en de onvoorspelbare uitslagen. Met gemiddeld 3,23 tegentreffers per wedstrijd overtreft de eredivisie dit seizoen de topcompetities in Spanje, Italië, Frankrijk, Duitsland en Engeland veruit.

De eredivisie is wel attractief maar niet hoogstaand. Vooral verdedigers krijgen er van langs. PSV staat dit seizoen na 24 duels op 34 tegentreffers. Bij Ajax liggen er al 33 in. Beide topclubs hebben tien duels voor het einde al meer tegengoals geïncasseerd dan in het hele vorige seizoen. AZ en FC Twente hebben nu de minst gepasseerde defensies, maar beide al meer tegendoelpunten dan in de jaren waarin zij landskampioen werden.

Langs de zijlijn of bij de koffieautomaat is de conclusie gauw getrokken: we missen meedogenloze verdedigers, types als Jaap Stam, John de Wolf of Rinus Israel. De botte bijl lijkt begraven, mede door de tv-camera’s die elke tackle van achteren registreren. De elleboog van de week – gemeengoed in de (glorie)jaren zeventig – komt de overtreder dankzij de vele herhalingen bij Studio Sport op een lange schorsing te staan. En leren de junioren, steeds meer trainend op kunstgras, nog wel een perfect uitgevoerde sliding te maken? Het liefst lopen ze met een schone broek van het veld.

Over vooroordelen gesproken.

Nederlandse verdedigers zijn vaak gemankeerde aanvallers. Linksbuitens die de top niet halen, worden eerst linkshalf en later linksback. Op die positie speelden geboren aanvallers Winston Bogarde, Arthur Numan en Giovanni van Bronckhorst jarenlang in het Nederlands elftal. Geen slagers van beroep, geen spikes onder de schoenzolen, geen ballen de tribunes inrossen. Geen Stam, De Wolf of Israel.

Toegegeven, de vele tegendoelpunten in de huidige competitie zijn een statistisch gegeven. Maar in de Europa League bewijzen AZ en FC Twente tegen gerenommeerde, vrij defensief ingestelde buitenlandse clubs dat ze zelf ook ‘goed op de nul kunnen spelen’. En het Nederlands elftal incasseerde tot voor kort juist heel weinig tegengoals. Het degelijke verdedigingsduo John Heitinga-Joris Mathijsen houdt zich goed staande op EK’s en WK’s. Zeker als de ‘controleurs’ Nigel de Jong en Mark van Bommel rond de middencirkel blijven hangen, lees: het vuile werk opknappen. Vooruitverdedigen – Johan Neeskens noemde het nog jagen op de bal – doet Oranje juist erg goed. De aanvallers en middenvelders zorgen ervoor dat de verdedigers niet in problemen komen.

Klopt het dus wel dat wij niet (meer) kunnen verdedigen? Of zijn de vele tegendoelpunten in de eredivisie het gevolg van vrij extreem offensief spel? Aanvallúúúhhh! Het publiek vermaken lijkt het hoofddoel in de eredivisie. De stadions zitten vol, de amusementswaarde is na de winterstop groter dan ooit. Houden zo.

We omarmen in Nederland de doctrine van Cruijff: liever 5-4 dan 1-0. Hij kan het historisch verklaren. Wij zijn van huis uit kooplieden, zeelieden, avonturiers. En dus vallen we liever aan op het voetbalveld.