Uw digitale schaduw: vleeseter, dus onbetrouwbaar

Met ons digitale profiel in de hand bepalen bedrijven en overheden wie bonafide is. Arme gezinnen zijn risicovol en reizigers die recentelijk Pakistan bezochten zijn verdacht. Deze categorisering beïnvloedt onze levenskansen, betoogt Dimitri Tokmetzis.

Foto Shutterstock, beeldbewerking NRC Fotodienst

Ben je een ‘bonafide’ reiziger? Dat klinkt misschien raar, maar die vraag kan wel eens heel relevant worden. De Nederlandse overheid werkt aan slim grensmanagement. Op Schiphol zullen de komende jaren steeds meer poortjes verschijnen zonder beambten. Eerst wordt u geïdentificeerd op basis van uw biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en/of een gelaats- of irisscan.

Als duidelijk is dat je daadwerkelijk bent wie je bent, vindt een tweede controle plaats in een database. Er worden geen vragen gesteld, maar er wordt louter gekeken naar je risicoprofiel. Heb je een laag risicoprofiel, dan ben je een ‘bonafide’ reiziger en wenst een blikken stem je een prettige reis. Heb je een hoog risicoprofiel dan wordt je doorgestuurd naar de lange rij voor een handmatige controle.

Die profielen zijn gebaseerd op je persoonsgegevens, die tegenwoordig ruim voorradig zijn door bestandskoppelingen en digitale boekingsinformatie. Je hebt misschien contant betaald voor je ticket. Misschien bezocht je onlangs Pakistan. Of je staat op één van de omvangrijke zwarte lijsten van een van de Nederlandse en Europese opsporings- en veiligheidsdiensten. Dat kunnen allemaal risicofactoren zijn.

Dit nieuwe systeem stuit op privacybezwaren. In hoeverre moet een onverdachte burger zich blootgeven en van tevoren bewijzen dat hij niets kwaads in de zin heeft? In hoeverre kun je je nog onbespied wanen, als al zoveel grenssystemen en databases worden gekoppeld? Waarom moeten je biometrische gegevens overal worden uitgelezen? Is dat niet het begin van erger?

Onze privacy zou in de verdrukking zijn, klinkt het sinds eind jaren negentig met grote regelmaat. Het gaat niet alleen om slim grensmanagement, maar ook om cameratoezicht, de elektronische kind-, leer- en patiëntendossiers, het rekeningrijden, de centrale overheidsdatabase met vingerafdrukken en gezichtsscans, de datahonger van marketingbedrijven, de bewaarzucht van zoek- en sociale-mediagiganten.

Het blijft echter onduidelijk wat nu precies op het spel staat. Het begrip privacy lijkt eerder tot meer dan minder verwarring te leiden, want wat is privacy eigenlijk? Gevoelsmatig zeggen we vaak dat privacy ervoor zorgt dat je onbespied door het leven kan gaan. Maar privacy is niet absoluut. Er zijn bijvoorbeeld grote culturele en generatieverschillen. En in sommige gevallen prevaleren andere, vaak collectieve, belangen.

Het ambigue karakter maakt het lastig om een afweging te maken tussen concrete en vermeende dreigingen en het recht om je persoonlijke levenssfeer te beschermen. Zeker in onze hypergevoelige risicosamenleving – een samenleving die geobsedeerd is door preventie en voorzorg – oogst de pleitbezorger van privacy meestal het minste applaus.

Daarnaast vertoont het huidige privacydebat nogal technofobe trekken. De onvrede richt zich vaak tegen technologie of de digitalisering van, nou ja, alles. Door technologie af te wijzen, gooi je het kind met het badwater weg. Technologie en digitalisering verrijken het leven net zozeer als dat ze bedreigingen oproepen.

Mijn belangrijkste bezwaar is dat de huidige privacydiscussie het zicht ontneemt op wat er echt gaande is. Er wordt simpelweg onvoldoende rekenschap gegeven van wat er met onze persoonsgegevens gebeurt. Registreren en opslaan zijn namelijk slechts twee schakels in een informatieketen. Die keten ziet er zo uit: meten = weten = voorspellen = beheersen. Vooral dat beheersen moeten we eens wat meer loslaten.

Persoonsgegevens worden in toenemende mate geregistreerd door de digitalisering van onze leefomgeving. Op alle niveaus vindt surveillance plaats, niet alleen door de overheid, maar ook door bedrijven, door elkaar en door onszelf (sociale media). Het dataspoor dat we dagelijks achterlaten groeit exponentieel. ‘Vroeger’ werd een reis niet geregistreerd, nu kan hij ‘gezien’ worden met behulp van de OV-chipkaart, kentekenherkenning, Foursquare of andere sociale media en in ieder geval door je mobiele telefoon.

Steeds meer persoonsgegevens komen los van hun dragers en verspreiden zich via netwerken. Ze worden gecombineerd met andere gegevens en krijgen herhaaldelijk een nieuw leven, vaak buiten de oorspronkelijke context. Een ongelukkig geformuleerde tweet kan later opduiken in een sollicitatiegesprek. Het is niet overdreven te zeggen dat iedereen een digitale schaduw heeft, een representatie van zichzelf, verspreid in kleine stukjes over honderden, zo niet duizenden databases. Tot zover bevinden we ons nog grotendeels binnen de kaders van de ‘klassieke’ privacydiscussie.

Wat men onvoldoende beseft is dat al die geregistreerde en bewerkte informatie in toenemende mate wordt gebruikt voor risicoprofilering.

Met profilering gebruikt men een algoritme om twee dingen te doen. Ten eerste kun je in grote hoeveelheden data nieuwe correlaties vinden en groepen definiëren. Een vliegtuigmaatschappij is er bijvoorbeeld achter gekomen dat vegetarische reizigers minder vaak hun vlucht annuleren of te laat komen opdagen. Sommige maatschappijen laten de mate van overboeking daarom mede afhangen van het aantal bestelde vegetarische maaltijden.

Let op dat sprake is van een correlatie, dus van een kans. Vegetariërs missen ongetwijfeld ook weleens hun vlucht, maar op geaggregeerd niveau zijn vleeseters – in de ogen van de luchtvaartmaatschappij – minder betrouwbaar. Steeds meer instanties en bedrijven werken met dit soort door algoritmen gedefinieerde groepseigenschappen of -gedrag.

De tweede toepassing gaat een stapje verder: profilering wordt ook gebruikt om burgers en klanten, vaak in real time, geautomatiseerd in groepen te plaatsen, oftewel te classificeren. Jouw persoonsgegevens worden bij binnenkomst direct gewogen, beoordeeld en van een label voorzien. De betreffende instantie of het bedrijf kijkt in zijn bemoeienis met jou niet zozeer naar het individu aan de andere kant van de balie of de telefoon, maar eerst naar dit label. Profileren is een geschenk uit de hemel in deze ‘snelle’ tijden, waarin tijdwinst veel geld oplevert. Voorspellende profielen kunnen bedrijfsprocessen automatiseren, zowel bij de overheid als bij bedrijven.

Daarnaast is er een enorme nadruk komen te liggen op preventie. Pech moet weg en onheil en schade moeten worden afgewend, liefst met behulp van preventieve interventies gebaseerd op risicoprofilering. We gaan niet wachten tot de bom is ontploft, het gezin is ontspoord, de tbs’er is ontsnapt, of die ene zeurderige klant tot grote verliezen leidt. Dan kun je je het beste richten op die groepen die het meeste risico vormen of de beste winstkansen bieden.

Er wordt vaak schamper gedaan over het maakbaarheidsgeloof van de jaren zeventig, maar dat geloof is springlevend. Sterker nog, alle ideologische gezindten hebben dit geloof omarmd. Ze is wel van gedaante veranderd. De nadruk is komen te liggen op repressie, bijsturen, verbieden, nudgen (iemand een zetje geven in de gewenste richting), het bestrijden van risico’s. Daarnaast richt het maakbaarheidsgeloof zich niet meer op de samenleving, of op een sociale groep, maar op het individu.

Het elektronisch kinddossier (EKD), thans het digitaal dossier jeugdgezondheidszorg, is niet echt een dossier in de klassieke zin van het woord. Het is vooral een instrument voor risicoprofilering. Een hulpverlener voedt het dossier met informatie over een gezin. Het programma spuugt daarna een risicoscore uit: laag, middel of hoog. Als een gezin het label hoog risico krijgt, wordt er ingegrepen.

Wie een aanvullende zorgverzekering wil aanschaffen, zal steeds vaker een uitgebreide gezondheidsverklaring moeten invullen. Als de verzekeraar denkt dat de potentiële klant tot ‘voorspelbare verliezen’ leidt, zal hij een hogere premie vragen om toekomstig verlies af te dekken. Soms worden groepen botweg geweigerd. Onlangs kwam ziektekostenverzekeraar Promovendus in opspraak omdat die alleen hoogopgeleide klanten accepteert. De kansberekening schrijft voor dat die gezonder leven dan lageropgeleiden en dus tot minder kosten leiden.

Profileren is in de kern niets meer dan het scheiden van kaf van het koren, van kansarmen van kansrijken, bonafiden van malafiden, voor het sorteren en classificeren van mensen in wenselijken en onwenselijken en enkele gradaties daartussen op basis van kansberekening.

Hoe jij wordt geprofileerd, hoe jij wordt ingedeeld in verschillende groepen, is van groot belang voor je levenskansen. Je wordt niet beoordeeld, geholpen, geweigerd en bejegend op wie je daadwerkelijk bent, maar op basis van je profiel. Of anders gezegd: op basis van het vermeende risico dat je vormt voor jezelf, je gezin, je werkgever, de samenleving of de winst.

Voorspellend profileren klinkt flitsend en modern en profileren heeft zeker waarde, maar de praktijk is, zoals altijd, ook modderig en vies. Als de onderliggende persoonsgegevens niet kloppen, dan is de uitkomst van het profileren waarschijnlijk ook incorrect. Informatie wordt subjectief verzameld (tunnelvisie) of verkeerd ingevoerd, verkeerd gekoppeld, raakt zoek, wordt door anderen misbruikt of beschrijft maar een klein deel van de werkelijkheid.

Daarnaast zeggen profielen slechts iets over een kans. Als het EKD een gezin het stempel ‘hoog risico’ geeft, zegt dat alleen dat een aantal indicatoren is gesignaleerd die in verband worden gebracht met een hogere kans op afwijking van een door ons gestelde norm. Dat klinkt heel vaag en dat is het ook. Maar in de praktijk laten professionals zich in hun beslissingen wel degelijk leiden door dit soort risicoprofielen.

En wie bepaalt wat een risico is? We gaan er voetstoots vanuit dat bijvoorbeeld armoede een belangrijke factor is in de kans dat een gezin ontspoort. Is dit wetenschappelijk onderzocht? De inzichten waar de Nederlandse hulpverleners gebruik van maken, leunen zwaar op epidemiologisch onderzoek uit de Verenigde Staten. Maar in de VS is armoede van een compleet andere orde dan in Nederland. Wie gaat zoeken naar de ratio achter profielen, ontdekt al snel dat risicofactoren vaak helemaal niet zo sterk zijn onderbouwd en dikwijls ook vooroordelen herbergen.

Het besef moet in ieder geval doordringen dat de meeste instanties en bedrijven niet oordelen over jou als een individu, maar als een categorie. Enerzijds moet de moderne burger daarom een informatiemanager worden. Wees je er bewust van dat je persoonsgegevens niet alleen worden opgeslagen, maar dat ze ook worden gebruikt, vaak om voorspellende risicoprofielen te maken. Vraag daarom altijd door. Wat wordt er opgeslagen? Wat gebeurt ermee? Hoe ziet mijn profiel eruit? Wees mondig.

Anderzijds mogen burgers wel eens wat flinker worden en ermee leren leven dat niet alle risico’s zijn uit te sluiten. Het leven is minder stuurbaar dan het lijkt, al beschik je over bergen informatie. Het moderne leven brengt kansen, opwinding, snelheid en geluk, maar ook gevaar, tegenslag, beperkingen en pech. We kunnen dit alles tot in de puntjes proberen te beheersen, maar dan moeten we ook accepteren dat dat tot veel oneerlijkheid leidt, ook al hebben we allemaal niets te verbergen.

Dimitri Tokmetzis is hoofdredacteur van sargasso.nl en auteur van De Digitale Schaduw: hoe het verlies van privacy en de opkomst van digitale profielen uw levenskansen beïnvloeden.