Taal die rondgaat

Een paar maanden geleden zat, voor iedereen zichtbaar, in Groningen iemand die zich Stroopwafel noemde te twitteren met ene Grunninger Kouke te Gouda. Ze zijn inmiddels onvindbaar, maar je kunt er nog steeds over doormijmeren. Zeker nu het lente wordt, want dan ‘wordt ’t broen weer gruin’, zeggen de Groningers, doelend op jonge groene sprietjes in bruine aarde. Wat hebben ze daarboven toch met omkeringen?

Het valt op, doordromend, hoe makkelijk het zou zijn om een cyclisch klinkerdialect te ontwerpen. Een dialect waarbij je elke klinker zou uitspreken als de volgende klinker in het alfabet: els dih vulgindih klonkir on’it elfebit, dus, met een beetje stemloze i. (Aannemende dat de stemloze e meeschuift, als in ‘doe is normaal man’.) Spreek zulk kunstdialect hardop uit met wat noordelijke lijzigheid en het klinkt al alsof het echt bestaat.

Een streek verderop kunnen de mensen dan, heel hip, nog verder gaan en elke klinker uitspreken ils dôh valgond’ klunk’r unt ilfôbot, waarbij ze de tamelijk stemloze ô alleen uitspreken als het zo uitkomt in de zin en in hun mond. Voor je het weet verstaat niemand ze meer, alleen hun dialectgenoten. De Ieren en de Schotten wekken weleens de indruk alsof ze het ook zo hebben gedaan. De Britten als geheel hebben trouwens zoiets doorgemaakt: de Great Vowel Shift, de grote klinkerverschuiving. Time werd rond 1400 nog uitgesproken als ‘tiem’, see als ‘see’ (met een [e:]), say als ‘sai’. Toen ging de boel schuiven. Achteraf lijkt ’t een drama: gedichten rijmen niet meer, tijdreizigers verstaan elkaar niet meer en niemand weet waardoor het kwam.

Misschien is het begonnen bij jonge vrouwen. Uitspraakveranderingen beginnen namelijk altijd bij jonge vrouwen, meldde de New York Times laatst nog maar eens. De rest van de samenleving lacht die jonge vrouwen er eerst om uit, waarna iedereen de veranderingen overneemt. Aanleiding voor het NYT-artikel (getiteld ‘They’re, like, way ahead of the linguistic currrrve’) was het tamelijk nieuwe taalmodeverschijnsel vocal fry (exploratief beschreven in Journal of Voice, 14 september 2011 online). Vocal fry is de neiging om aan het eind van een woord of zin met een lage stem hortend en stotend te grommen of te kreunen, alsof het niet meevalt om die lage toon nog te halen.

Het is moeilijk te omschrijven, maar op YouTube zijn inmiddels filmpjes te zien van modebewuste jonge vrouwen die het doen, en omdat het uit Amerika komt doen we het hier over een paar jaar ook allemaal. Misschien nu al. Brigitte Kaandorp doet het in haar prachtige lied ‘Ik heb een heel zwaar leven’ (ook op YouTube) en een collega hoorde in de bus naar de Utrechtse Uithof dat de studenten er klinken alsof hun stemmen kapot zijn van het in de disco naar elkaar schreeuwen. Maar dat is dus waarschijnlijk gewoon mode. Doen alsof je er erger aan toe bent dan je bent.

Waar doet dat aan denken? Ja, aan het Poldernederlands natuurlijk. Dat vindt Jan Stroop, de taalkundige die het Poldernederlands vlak voor de millenniumwisseling ontdekte, ook meteen. Jonge vrouwen die massaal platter begonnen te praten dan volgens hun afkomst te verwachten viel – de ei en ij als aai gingen uitspreken, de ui als au, de au of ou als aaau. Je hoort het eigenlijk nooit meer. Nee, zegt Stroop behulpzaam, het valt namelijk niet meer op, doordat nu iedereen het doet op tv en radio. Niet alleen meer jonge vrouwen. Hoewel er nog wel iets van een generatiekwestie speelt. Vergelijk Jeroen Pauw maar eens met Paul Witteman. Pauw noemt zichzelf Paaauw; Witteman noemt zichzelf Paul.

En ja, Stroop ziet óók de overeenkomsten tussen de Britse grote vowel shift en onze eigen polderversie, waarin de ij eveneens een aai wordt. Sterker nog, legt hij uit: oorspronkelijk was onze tijd ook ‘tied’, net als het Engelse time eerst ‘tiem’ was. Wij spelden tijd met dubbel i (een lange, dubbele klinker immers), waarvan de tweede i een krulletje kreeg – dat was, in schrift, de ij. En ook de Britten hadden een periode waarin ze hun time als ‘tijm’ uitspraken, tussen de ‘tiem’ en de ‘taaim’ in.

Hoe dan ook, zegt Stroop, als er ergens een klinker begint te schuiven, schuift de hele boel mee. Dat moet wel, anders zijn de woorden niet meer uit elkaar te houden. Hij stuurt Poldernederlandse klinkerschema’s op waarin te zien is hoe de klinkers elkaar achterna rennen: de ee wordt ei, de ei wordt aai; de eu wordt ui (‘luik!’), de ui wordt au; de oo wordt ou, de ou wordt aaau. Het gaat allemaal de aa-kant op; iedereen doet zijn mond dus steeds verder open. Maar de klinkers moeten wel afstand tot elkaar houden; in theorie is het misschien zelfs mogelijk, zegt Stroop desgevraagd, dat de klinkers zover doorschuiven dat ze weer op het oorspronkelijke patroon uitkomen.

Waarmee we weer terug zijn bij het begin van dit stukje, zoals journalisten dat altijd zo graag willen. Althans bijna. Nog even over broen en gruin dan. Dat de klinkers van die kleuren in het Gronings stuivertje hebben gewisseld is toeval, zegt Stroop: ze hebben niks met elkaar te maken. Broen is gewoon het oude woord voor bruin dat niet, via bruun, met de Hollandse mode is meegegaan naar bruin. En in het oosten des lands heet groen gruun; in Groningen werd dat gruin, weet Stroop, door dezelfde ‘Groningse diftongering’ die van Groninger koek ‘Grunninger kouke’ maakte.

En nu we toch weer rond zijn: Grunninger Kouke en Stroopwafel twitterden destijds dat ze buren waren geweest, in Groningen of Gouda. Als de herinnering niet bedriegt, waren het jonge vrouwen.