Steeds meer diagnoses voor steeds meer leerlingen

Deze week protesteerden 50.000 leraren tegen een bezuiniging op het onderwijs voor leerlingen met wie iets mis is. Daarvan komen er steeds meer, met toenemende kosten tot gevolg. Die groei komt door betere diagnoses, zegt de één. Een ander wijst erop dat het leven van kinderen tegenwoordig ingewikkelder is.

De lijst is lang en staat bol van termen en afkortingen, die de gemiddelde Nederlander als abracadabra in de oren klinken. ADHD mag inmiddels dan zijn ingeburgerd: Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Vrij vertaald: aandachtstekortstoornis die gepaard gaat met hyperactief gedrag. Maar wat betekent MCDD? Antwoord: meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis. En waar staat ODD voor? Antwoord: oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.

In het Nederlandse onderwijs zijn de medische begrippen allang geen onbekende fenomenen meer. Reden: de forse toename van het aantal leerlingen dat extra begeleiding nodig heeft, omdat zij lijden aan een gedragsstoornis en/of een leerprobleem (dyslexie, dyscalculie) hebben. Op basis van zulke diagnoses kunnen hun ouders een beroep doen op extra financiële ondersteuning, het zogeheten rugzakje, waarmee scholen vervolgens zorg kunnen inkopen.

Telde Nederland in 2003 nog 243.000 rugzakleerlingen, inmiddels is dat aantal opgelopen tot 280.000 (2010), zo blijkt uit cijfers van de onderwijsinspectie. Met andere woorden: ruim 11 procent van het totaal aantal leerlingen in het Nederlandse basis- en voortgezet onderwijs heeft een leer- of een gedragsprobleem. Door de toename zijn ook de kosten fors gestegen, van 0,5 miljard (1997) naar 3,7 miljard euro per jaar (2010), aldus het ministerie van Onderwijs. Om die reden koos minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) voor een aanscherping van de wet passend onderwijs, die deze week de steun kreeg van een meerderheid in de Tweede Kamer. Circa 50.000 leraren en ondersteunend personeel protesteerden dinsdag in de Amsterdam Arena tegen de ingreep, die gepaard gaat met een bezuiniging van 300 miljoen op het zorgonderwijs.

De vraag is: hoe is de explosieve groei van het aantal rugzakleerlingen te verklaren?

De eerste verklaring ligt voor de hand: artsen beschikken simpelweg over meer diagnostische kennis dan voorheen, waardoor stoornissen en afwijkingen eerder worden (h)erkend. „Vroeger was een kind alleen maar lastig, nu hebben we daar een mooie medische term voor, met een bijbehorende diagnose”, zegt bestuursvoorzitter Wim Ludeke van De Onderwijsspecialisten uit Arnhem. Hij geeft leiding aan dertien scholen (drieduizend leerlingen) in het speciaal onderwijs. Zijn leerlingen hebben een lichamelijke, verstandelijke of meervoudige beperking, of zijn langdurig ziek.

Net als Van Bijsterveldt wijst Ludeke daarnaast op „de verruiming van de definities en de criteria”, waardoor ouders de laatste jaren steeds vaker een beroep konden doen op overheidssteun. Mede daardoor werd de regeling steeds populairder. „Waarom zou je geld laten liggen als dat voorhanden is”, vraagt Ludeke zich af. Ouders willen het beste voor hun kind en zouden dus een dief van hun eigen portemonnee zijn als ze geen gebruik zouden maken van de beschikbare zorggelden, stelt hij.

Stempel

Het zijn deze „perverse prikkels”, die volgens voorstanders van de wetswijziging grotendeels verantwoordelijk zijn voor „de enorme en ongewenste groei” van het aantal zorgleerlingen. Met name Kamerlid Ton Elias (VVD) liet de afgelopen maanden niet na om te wijzen op die „perfide uitwassen”. Volgens hem creëert het aanbod van de subsidieregelingen zijn eigen vraag, waardoor „de kosten volledig uit de hand zijn gelopen en het systeem is vastgelopen”. Kinderen zouden „veel te snel en veel te makkelijk” het stempel krijgen van probleemgeval.

Fanny Riebeek deelt die mening niet. Als ambulant begeleider helpt zij leerlingen in het speciaal onderwijs in Friesland. Die hulp is hard nodig, meent Riebeek, die dinsdag protesteerde in Amsterdam. „De maatschappij is dankzij internet en al die andere technologieën zoveel sneller geworden dat kinderen al op zeer jonge leeftijd overstelpt worden met allerlei prikkels. Je moet al die informatie ook maar kunnen filteren. Volwassenen kunnen dat, kinderen niet of nauwelijks. Dat leidt in sommige gevallen tot problemen. Zulke kinderen zijn beter af in een leeromgeving, waar het aantal prikkels sterk is gereduceerd.”

Toch erkent Riebeek dat ook reguliere scholen baat hebben bij wat in onderwijskringen ‘etikettering’ wordt genoemd. In het reguliere onderwijs ontbreekt vaak de tijd en de kennis om zorgleerlingen adequaat te begeleiden. Ludeke, tevens bestuurslid van de koepelorganisatie in het basisonderwijs (PO-raad), beaamt dat. „Scholen zeggen dan tegen ouders: zou uw kind niet beter af zijn in het speciaal onderwijs? Je kan het ouders vervolgens niet kwalijk nemen dat ze op zoek gaan naar een ticket voor het speciaal onderwijs.”

Ouders zijn de schaamte voorbij, constateerde onderwijswoordvoerder Boris van der Ham (D66) deze week tijdens het Kamerdebat. Die indruk heeft ook Marion van der Burg, ambulant begeleider in Rotterdam. „En ze zijn dankzij internet ook beter op de hoogte. Als ze een vermoeden hebben dat hun kind wat mankeert, zoeken ze dat op.” Zo’n zoektocht eindigt niet zelden op een website, die hen precies vertelt bij welke instantie ze kunnen aankloppen en op welke overheidspotjes ze een beroep kunnen doen.

Ongewenst gedrag

Kinderpsychologen als Martine Delfos hebben al vaker gewaarschuwd voor „modische diagnoses”: kinderen die een etiket opgeplakt krijgen omdat zij niet voldoen aan het ideaalbeeld van hun ouders. Ook Elias meent dat een diagnose in (te) veel gevallen wordt gebruikt als excuus voor onaangepast en ongewenst gedrag. „Vaak is ongewenst gedrag echter het gevolg van een gebrek aan opvoeding”, zo citeerde hij dinsdag in de Kamer uit een e-mail van een forensisch psycholoog. De afzender wenst anoniem te blijven, aldus Elias, uit vrees voor mogelijke reacties in diens werkomgeving.

Ludeke kent het argument, maar is niet overtuigd. Ja, het gebeurt dat ouders een uitvlucht zoeken om hun eigen tekortkomingen als opvoeders te maskeren en die vinden in een diagnose, zegt hij. „Maar dat zijn absolute uitzonderingen.” En daarmee een te verwaarlozen verklaring voor de toename van het aantal zorgleerlingen, benadrukt hij. Zoals Ludeke ook niet gelooft in „een samenzwering van de farmaceutische industrie, die er baat bij zou hebben dat kinderen massaal aan de kalmeringsmiddelen gaan en dus een indicatie nodig hebben”.

Frans van den Burg is pedagogisch medewerker op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen in Enschede. Ook hij staakte dinsdag tegen de bezuinigingen op het passend onderwijs. Van den Burg, zelf vader van een licht autistische zoon, wijt de toename van het aantal zorgleerlingen vooral aan „de individualisering van de prestatiemaatschappij”, zegt hij, vlakbij de hoofdingang van de Amsterdam Arena. „Kinderen komen bijna niet meer buiten, waardoor ze onvoldoende sociale contacten opdoen.” Dat leidt volgens hem tot „een zekere eenkennigheid”.

In de memorie van toelichting op haar wetsvoorstel wijst minister Van Bijsterveldt ook op „een toename van de eisen van de samenleving aan de competenties van jongeren”. Dat leidt bij sommige kinderen tot faalangst. Maar zulke leerlingen horen niet thuis in het speciaal onderwijs, zegt bestuursvoorzitter Ludeke van De Onderwijsspecialisten uit Arnhem. „Voor zulke jongens en meisjes geldt: hoe eerder ze terugkeren in het reguliere onderwijs, hoe beter dat voor ze is.”

Toch verwerpt Ludeke de conclusie dat de etikettering is „doorgeslagen”, zoals Elias stelt. „Maar het is wel tijd voor herbezinning, en in die zin kan de nu voorgestelde aanscherping van de regels geen kwaad.” Hij schat dat „acht à tien procent” van zijn leerlingen beter af zou zijn in het gewone onderwijs. Zonder indicatie. „Op voorwaarde dat de leraar of lerares wel een extra oogje in het zeil houdt.”