Stad als doorgangshuis

In de politieke arena zijn immigratie en integratie nog altijd goed voor rode konen. Weliswaar overschaduwen kredietcrisis en economische recessie het debat over godsdienst, criminaliteit, overlast en ander gedrag waarmee de kloof tussen de waarden en normen van het oude en nieuwe Nederland worden aangeduid. Maar op de achtergrond sluimert het sociaal-culturele debat over specifieke allochtone groepen nog steeds. Afgaande op het rapport De staat van integratie over de steden Amsterdam en Rotterdam is dat een achterhoedegevecht aan het worden.

Het rapport, een initiatief van de hoofdstedelijke wethouder Andrée van Es (GroenLinks) en haar ambtgenoot Korrie Louwes (D66), concludeert dat het klassieke integratiebeleid in de grote steden steeds minder effect heeft en dus moet worden herijkt.

Een belangrijke reden daarvoor is dat Amsterdam en Rotterdam meer transithavens worden. Succesvolle migranten vertrekken naar voorsteden en worden vervangen door nieuwe nieuwkomers.

Het onderscheid tussen autochtoon en allochtoon vervaagt. De nieuwe tegenstelling wordt er een van stedelingen die in de stad blijven – omdat ze succesvol zijn of, precies omgekeerd, omdat ze niet vooruitkomen – en burgers die richting suburbania groeien.

Hoewel er qua sociaal-economische en culturele stratificatie grote verschillen bestaan tussen Amsterdam en Rotterdam heeft deze trend voor beide steden één overeenkomstig dreigend gevolg: de minst aantrekkelijke woonwijken worden doorgangshuizen voor migranten, die even een dak boven hun hoofd zoeken.

De risico’s laten zich raden: verloedering van de huizen, de sociale cohesie, de volksgezondheid en de veiligheid. „Als men deze wijken niet aan hun lot wil overlaten” moet er fors worden geïnvesteerd, schrijft socioloog Han Entzinger in het rapport. Maar voor wie? De paradox is dat de (interim)bewoners er niet dankbaar voor zijn. „Hun betrokkenheid bij de wijk, ja bij de hele stedelijke samenleving, is immers beperkt”, voorspelt Entzinger.

Op zichzelf is dit geen nieuw inzicht. De geschiedenis van de stad kenmerkt zich door een continue dynamiek van burgers die komen en gaan. Nooit is er iets af. Als verpauperde volkswijken hip worden door ‘gentrification’ met studenten die blijven hangen of hoger en modern opgeleide bewoners, vervallen de ooit zo emancipatoire naoorlogse tuinsteden. Deze cycli zijn het gevolg van structurele veranderingen, zoals de neergang van oude industrieën en de opkomst van een creatieve diensteneconomie.

Als die geschiedenis nog meer heeft geleerd, dan is het dat de stad ook een fysieke omgeving van stenen en staal is. Nederland heeft een rijke ervaring met stadsplanning. Soms leidde dat tot groteske probleemwijken, als de Bijlmer in Amsterdam. Vaak had de nadruk op sociale woningbouw tot gevolg dat middengroepen werden verjaagd en de stad ‘op slot’ ging voor de nieuwe burgerij.

Maar over het algemeen is de stedelijke ordening bijna nergens ontspoord in onbeheersbare megapolissen, zoals in Afrika, Azië en Amerika. Of rond Parijs met zijn wereld van verschil tussen de stad binnen de périférique en de banlieue buiten de ring.

Deze uitzonderingspositie van Nederland is geen gegeven voor de eeuwigheid. In de netwerkmaatschappij lijkt de stedenbouw in de hele wereld op elkaar. In de woorden van de Hollandse architect Rem Koolhaas: overal verrijzen ‘generic cities’. De bovenlagen zijn dynamisch. Ze kunnen veel kanten op en ontlenen daaraan status. De achterblijvers vormen een onderklasse die, al naar gelang de verzorgingsstaat wordt getrimd, eveneens is gedoemd tot arbeidsmigratie. Als de middengroepen uitwijken, verliest de stad ook nog zijn sociale buffers en komt de cohesie onder druk te staan.

Investeren in de stad kan dit onderliggende proces niet stoppen, maar wel de scherpste kantjes ervan afvijlen. De stad die de burger louter als passant ziet, ondergraaft zichzelf. Er zit weinig anders op dan de paradox van Entzinger te lijf te gaan. Net als in de vorige eeuw met enig succes in Nederland is gebeurd. De ervaring is er.