Opfrisbeurt

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: autorijden.

Ik heb een afspraak met Jan. En Jan, zo heb ik mij laten vertellen, is een rustige en lieve man die al heel wat vrouwen een opfrisbeurt heeft gegeven.

Want denk maar niet dat ik de enige ben met amaxofobie. Naar schatting lijdt een half miljoen Nederlanders er aan, mannen ook hoor. Als gevolg van onze aandoening hebben we last van hyper- ventilatie, trillende handen en zweetaanvallen. Maar we klagen niet. Omdat we ons schamen. Daarom houden we ons groot: nee joh, geen probleem, natuurlijk kom ik naar je brainstormsessie/bruiloft/verjaardag op het platteland. Ik ga gewoon eerst op de fiets, dan met de trein, twee keer overstappen, daarna een streekbus en tot slot nog een kwartiertje lopen. Vind ik heerlijk. Lekker lezen onderweg en muziek luisteren (en vooral niet denken aan het feit dat je er met de auto in een wip geweest was en dat je dan niet door de regen had hoeven sjouwen met die weekendtas).

Dat ik mij nu toch tot Jan heb gewend om van mijn rijangst af te komen, heeft te maken met de zomervakantie. Ik heb een appartement geboekt op een klein, rustig Grieks eiland. En een huurauto. Want zonder auto gaan mijn dochters op een klein, rustig Grieks eiland dood van verveling. Dat weet ik nog van vorig jaar.

En nee, de huidige verkering (in bezit van rijbewijs) gaat niet mee. Ik vind: vakantie is voor alle betrokkenen bedoeld om te ontspannen. Mijn dochters zouden stijf van de zenuwen staan, want stel je voor dat het leuk wordt, hoe vertellen ze dat aan hun vader? Of ik zit tien dagen opgescheept met twee pubers die zich slap van meligheid door de dag dweilen omdat de huidige verkering een zwembroek blijkt te hebben – en erger: die ook aantrekt als hij gaat zwemmen!

Ik stelde mezelf gerust dat snelwegangst op zo’n eilandje onzin is, eenvoudigweg omdat er geen snelweg is. Maar nu heb ik op de website reiservaringen gelezen van bezoekers die ook ooit verbleven in ons appartement met zeezicht. Die vertellen vooral over „de levensgevaarlijke” weg daar naartoe, geen snelweg maar een steil en slingerend bergpad dat niet geschikt is voor „bange rijders”. „Omhoog rijden is een kwestie van durven”, schrijft iemand. „Bij de eerste steile bocht naar links lijkt het net alsof je stil valt. Houd de vaart erin!”

Terwijl Jan me laat zien waar de alarmlichten zitten, vertelt hij me dat ik gerust fouten mag maken. Iedereen maakt fouten. Als ik een paar minuten later een fietspad blokkeer, vindt Jan dat niet erg. „Je had niet de intentie dat te doen.” En weet je, zegt Jan als ik vaart probeer te maken op een invoegstrook, jij bent niet de enige die geen ongeluk wil maken. Niemand wil een ongeluk maken.

Ik kijk in mijn spiegels (en weet niet zeker wat ik zie, maar ach, Jan zit naast me, zijn voet op de hulppedalen) en zet mijn knipperlicht aan. Denk eraan, zegt Jan, je knipperlicht is geen toverstafje.

Ik voeg in en probeer niet te denken aan bloederige botsingen, maar aan het sprookjesachtige wereldbeeld van Jan waarin alle mensen „communiceren en anticiperen”. Dit keer moet het lukken. Als het niet voor nu is, dan wel voor later. Over 25 jaar ga ik met pensioen, dan gaan de kinderen al lang niet meer mee op vakantie en is de huidige verkering zo hoogbejaard dat zijn rijbewijs waarschijnlijk ingetrokken is. Dan wil ik de wereld doorkruisen en al die dingen doen die ik in dit leven nog doen moet – luid zingend, met ware doodsverachting en enorm opgefrist.