Leve onze koeien

Nederland, Amsterdam, 10-11-10 Menno Tamminga. © Foto Merlin Daleman

Euro verloren, rampspoed geboren? Jammer dat de andere grote partijen niet ingaan op het aanbod van de PVV om herinvoering van de gulden inzet te maken van een referendum.

De keus voor de euro is een bij uitstek politieke beslissing geweest, niet een economische. „De politieke drijfveren van het samenleven hebben uiteindelijk de overhand op economische belangen”, schreef historicus Luuk van Middelaar, speechschrijver van Europees president Herman van Rompuy en gepromoveerd op de Europese eenwording, vorig jaar in deze krant. Hij laakte het „eindeloze geklets van economen”.

Dat het met het eurosysteem zo mis zou kunnen gaan, hadden de Nederlandse politieke stuurlui twintig jaar geleden bij het verdrag van Maastricht in niet gedacht. Zij hadden ook geen plan B, erkenden Ruud Lubbers (toen minister-president) en Wim Kok (toen minister van Financiën) vorige maand bij de presentatie van het nieuwe boek De euro van ex-NRC collega Roel Janssen.

Ook al was het een cruciale politieke keuze, de invoering van de euro is niet als apart onderwerp aan de kiezers voorgelegd. Dat is niet zo raar. Zo vergaat het talloze brisante maatschappelijke onderwerpen. De kiezer stemt op een partij en het programma en heeft geen individuele invloed op hoe het verder gaat. Maar: zoals het vroeger was, zo hoeft nu niet te zijn en zo hoeft het al helemaal niet te blijven. Als nu geen soevereiniteit wordt overgedragen aan de Europese Commissie over bijvoorbeeld begrotingsbesparingen en lastenverzwaringen, zoals minister-president Mark Rutte meent, dan is dat in het verleden wel gebeurd. Het voordeel van een referendum is dat het kabinet een ijzersterk mandaat kan krijgen door de stemming te winnen. Durf ’t.

Achter de roep om de gulden gaat een groter verlangen schuil, een verlangen naar economisch nationalisme. Dat is nieuw, want juist de Nederlandse handelsgeest en onze handelsbelangen stonden eeuwen garant voor weerzin tegen politiek en economisch nationalisme, tegen gesloten grenzen en handelsbarrières en daarom vóór Europese samenwerking en samensmelting.

Bij de huidige verhoudingen is zeker eenderde van de Tweede Kamer wel geporteerd van economische nationalisme. Op rechts de PVV, op links de SP, voorzover de sociaal-economische rechts-links indeling nog zeggingskracht heeft. Dit economisch nationalistische blok is het politieke ‘dividend’ van de economische liberalisering en globalisering. Het is de bevestiging dat tegenover de winnaars van de globalisering (lagere prijzen voor consumenten, bijvoorbeeld) ook verliezers staan. Het economische nationalistische blok zal een blijvertje blijken te zijn. Dat reduceert de liberale actieradius van elk kabinet.

Het nationalisme zit in marketing, zoals het afgeven op energiebedrijven die in buitenlandse (Duitse!) handen zijn. Maar ook in ophemeling, zoals het aanprijzen van de melk van Nederlandse koeien. Politiek vertaalt het zich in een dat-nooit-weer mantra: niet nog een keer fiat geven om een strategisch cruciale bank als ABN Amro te verkopen en te laten opbreken, zoals in 2007 nog gebeurde. Maar wel dat kabinet en ING bij de Europese rechter in beroep gaan tegen de strafmaatregelen van de Europese Commissie vanwege de staatsreddingsacties voor de ooit internationaal toonaangevende bank en verzekeraar.

De politiek van economisch nationalisme wordt gevoed door tweeslachtigheid onder economen. Hun becijferingen van de extra inkomsten vanwege de euro vallen mager uit. Maar de euro loslaten is ook een enkele reis naar financieel Armageddon, als je de reacties moet geloven op het ‘Nederland & de euro’- rapport van de Britse adviesfirma Lombard Street voor de PVV. Zoals de tegelwijsheid zegt: een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Doch dat nooit op zal dagen.

Menno Tamminga