‘Kunstsubsidies erfenis nazi-bezetting’

„Het is een naoorlogse mythe dat we het stelsel van kunstsubsidies kregen dankzij het kunstenaarsverzet .” Dat zegt historicus Benien van Berkel. Zij onderzocht de man die het stelsel opzette, de NSB-er Tobie Goedewaagen.

De architect van Nederlands kunstsubsidiestelsel, dr. Tobie Goedewaagen, links, bij de opening van het Kunsthuis in Amsterdam, 21 maart 1942. Foto collectie Beeldbank WO2/NIOD

Nederland heeft het stelsel van kunstsubsidies te danken aan de nazi’s. De NSB-filosoof dr. Tobie Goedewaagen, die in 1940 door de Duitsers werd benoemd tot secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK), krikte de kunstbegroting op tot het veertienvoudige. ‘Rotkar’ werd Goedewaagen genoemd, die ook de Kultuurkamer instelde waarbij alle Nederlandse kunstenaars zich moesten aansluiten. Maar tegen zijn beleid verzetten weinig kunstenaars zich. Goedewaagen wilde de Nederlandse cultuur opstuwen in de vaart der volkeren. Dat sloot aan bij de wens van de kunstenaars.

„Het is een naoorlogse mythe dat wij het stelsel van kunstsubsidies gekregen hebben dankzij het kunstenaarsverzet tijdens de oorlog”, zegt historicus Benien van Berkel. „Niet alleen was het verzet van kunstenaars tegen Goedewaagen marginaal, ook was hun invloed op het beleid verwaarloosbaar.”

Van Berkel deed vier jaar aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie onderzoek naar Goedewaagen. Vrijdag promoveerde ze, aan de Universiteit van Amsterdam.

U bent de eerste die een boek heeft geschreven over Goedewaagen. Wie was hij?

„Hij promoveerde cum laude in de filosofie en in het interbellum probeerde hij het filosofisch discours in Nederland op een hoger plan te brengen. Begin jaren dertig zou hij benoemd worden tot hoogleraar in Utrecht, maar hij werd gepasseerd. Zijn interesse voor het nationaal-socialisme ontstond tijdens het schrijven van een biografie over Nietzsche. Goedewaagen ontwikkelde wat ik noem een cultuurracistisch ideaal. De Arische mens moest zich volgens hem cultureel ‘omhoog planten’, zodat hij op cultureel en geestelijk gebied superieur zou worden aan alle andere rassen in de wereld. Om dat ideaal ten uitvoer te brengen werd hij lid van de NSB. Zo kwam hij onder de aandacht van de cultureel geïnteresseerde Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Die benoemde hem tot secretaris-generaal van het DVK.”

Was Goedewaagen destijds een bekende in de kunstwereld?

„Jazeker, hij woonde voor de oorlog met zijn eerste vrouw Annie de Roos, de zus van graficus Sjoerd de Roos, in de kunstenaarskolonie in Blaricum. Hij speelde piano en had in zijn jonge jaren aspiraties als dichter. Hij was, voor hij zich tot het nationaal-socialisme bekeerde, bevriend met bekende kunstenaars, zoals beeldhouwer John Rädecker. Hij was een protegé van Adriaan Roland Holst.”

Wat waren zijn belangrijkste daden als secretaris-generaal?

„Hij stelde de Kultuurkamer in, waar alle kunstenaars lid van moesten worden. Maar alleen kunstenaars die een Ariër-verklaring hadden ondertekend, werden toegelaten. Bijna alle kunstenaars die niet-Joods waren, deden dat. Daarnaast verhoogde hij de kunstbegroting van 172.000 gulden in 1940 naar 2,5 miljoen in 1943. Dit geld werd door de kunstenaars gretig aangenomen. Daarmee legde hij de basis voor het subsidiestelsel dat nu nog steeds bestaat. Het budget ging na de oorlog niet meer omlaag.

„Voor de oorlog heerste het adagium van de liberaal Thorbecke dat kunst geen regeringszaak is. Goedewaagen maakte een ommezwaai in het beleid. Hij vond dat de overheid verantwoordelijk was voor de kunsten. Dat idee is na de oorlog niet meer verdwenen. Ook naoorlogse politici, zoals de ministers Gerard van der Leeuw en Jo Cals, vonden dat kunst een opvoedende waarde had in de samenleving. Het uitgangspunt dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van kunst en cultuur, net als voor zorg en onderwijs, heeft in geen enkel regeerakkoord meer ontbroken, ook niet in dat van het kabinet-Rutte.”

U zegt dat er onder kunstenaars weinig verzet tegen Goedewaagen was. Hoe kwam dat?

„Hij verbeterde hun salarissen en hun arbeidsomstandigheden. Hij zorgde ervoor dat kunstenaars opdrachten kregen van de overheid. Daar waren ze blij mee. Maar hij deed meer. Hij maakte ruimte voor Nederlandse cultuur. Hij wilde gezelschappen verplichten vaste aantallen toneelstukken en composities op te voeren die door Nederlanders waren gemaakt. De kunstenaars streefden daar zelf ook naar. Helaas hadden de meesten te weinig oog voor het lot van Joodse collega’s. Daar komt bij dat de kunstenaars geen eenheid vormden en geen gemeenschappelijk doel hadden. Daardoor hadden ze nauwelijks invloed op het beleid.”

Welke lering kunnen de kunstenaars van nu uit de geschiedenis trekken?

„Ook in het huidige tijdsgewricht van bezuinigingen op de kunstsubsidies spelen kunstenaars hoegenaamd geen rol in het politieke debat. Wat mij is opgevallen is dat zij alleen aandacht vragen voor hun eigen voortbestaan. Daarmee winnen ze niet de sympathie van het publiek. Ik vind dat kunstenaars te weinig rekening houden met hun publiek. Je kunt je de vraag stellen of kunst die gemaakt is zonder een publiek voor ogen te hebben, wel door de overheid ondersteund moet worden.”

Het klinkt alsof u de bezuinigingen van het kabinet-Rutte steunt.

„Nee! Ik ben een verklaard tegenstander van de bezuinigingen, want ik vind cultuur een essentieel onderdeel van de maatschappij, waarop je niet zo fors kunt bezuinigen als nu gebeurt. Maar ik denk wel dat kunstenaars serieuzer genomen zouden worden door het publiek én in het politieke debat als zij een wat minder autonome houding zouden aannemen. Zo’n houding wordt al gauw opgevat als arrogantie.”