‘Het is fijn om openhartig over verlangen te zingen’

Michael Kiwanuka (24) zingt als een jonge Bill Withers, heeft de souplesse van Marvin Gaye en flirt met het hippieverleden in de vorm van jubelende dwarsfluiten.

Soulfolk noemt Kiwanuka de muziek op zijn debuut-cd. Foto Sam Butt

In de prachtige nummers van zijn gister verschenen debuut-cd, Home Again, valt op hoe volgroeid deze zanger klinkt: soul wordt verweven met verhalende folk-invloeden en verrassend omkleed met schrijnende strijkers, bijvoorbeeld in het titelnummer. Kiwanuka’s stem is rijk aan emotie, maar slaat de luisteraar er niet mee om de oren. Hij doseert zorgvuldig. Als puber luisterde Kiwanuka naar Nirvana, daarna ontdekte hij Bob Dylan en volgde toen het spoor terug in de tijd, tot Isaac Hayes, Otis Redding en Marvin Gaye. Kiwanuka, geboren in Oeganda en met zijn ouders naar Londen verhuisd wegens de dreiging van Idi Amin, werd door muzikale koffiedikkijkers van de BBC uitgeroepen tot de ‘belofte van 2012’.

Wanneer ontdekte u dat u kunt zingen?

„Ik wilde gitarist worden, dan heb je altijd werk. Maar als ik op school een liedje zong kreeg ik veel bijval. Op een gegeven moment begon ik eigen nummers te schrijven en te zingen. Ik hou van de frasering van soulzangers, daar heb ik veel naar geluisterd. Ik heb de stijl van Otis Redding gekopieerd. Zo rond mijn twintigste vond ik mijn eigen stem.”

U noemt uw muziek folksoul.

„Mijn eerste nummers bestonden uit niet meer dan stem en akoestische gitaar. Ik dacht dat mijn stem niet opgewassen was tegen meer instrumenten, tot ik begon samen te werken met Paul Butler, van de band The Bees. Paul houdt juist van symfonische, Beach Boys-achtige muziek. Hij werd moe van mijn akoestische stijl en spoorde me aan om er meer ritmische elementen bij te halen. Daarna ging ik alsnog uit van de verhalende stijl van folk, maar we voegden we er van alles aan toe.”

Wat spreekt u aan in de muziek uit de jaren zestig, zeventig?

„Dat was de tijd dat muziek nog klonk als iets dat mensen met veel aandacht, met hun handen maakten. Als een ambachtelijk gemaakte tafel, of een op maat genaaid pak. Dat hoor ik terug in de muziek. Die is menselijk en persoonlijk.”

Hadden uw liedjes toen gemaakt kunnen worden?

„Wij gebruikten technieken die in de jaren zestig nog niet bestonden. Voor I Won’t Tell, wilden we bijvoorbeeld laag klinkende blazers, zoals tuba en trombone. Maar die waren niet voorhanden. Toen speelde Paul de partijen op trompet en klarinet. We namen de partijen te snel op. Als je ze dan naar het normale tempo terugbrengt, klinken ze lager. Zo kregen we alsnog een muur van ronkende blazers.”

Uit uw liedjes spreekt hunkering. Waarnaar?

„De meeste soulliedjes gaan over het reiken naar iets; het gevecht om ergens te komen waar je nog niet bent. Otis zong over zijn verlangen naar een bepaalde vrouw, Marvin zong openhartig over de strijd tegen drugs. Het is fijn om te zingen over onderwerpen waar je het normaal niet snel over hebt. Het ritme en de weelderige klank van de instrumenten lijken die onderwerpen te complementeren. Dat is troostend.”

Waar verlangt u naar, in uw teksten?

„Niet per se naar een vrouw, wel naar durf en zelfvertrouwen. En soms naar liefde. Ik hou van een plaat van Marvin Gaye waarin hij op een kwetsbare manier over liefde zingt. Veel moderne zangers doen nonchalant: ‘Die vrouw kan me niet schelen’. Marvin was on-macho, dat sprak me aan. Want liefde kan me wel schelen.”

Hoe zingt u over de liefde?

„Mijn nummer Rest gaat niet over een speciaal iemand. Het vertelt hoe ik hoop dat het me zal vergaan, in de liefde. Het is een toekomstbeeld.”

Home Again van Michael Kiwanuka is nu uit bij Universal Music. Concert: 29/4 Melkweg/Max, A'dam.