Een deel van de ouders zal in onzekerheid blijven

De komende weken staat Robert M. voor de rechter. De hoofdverdachte in de omvangrijke zedenzaak in Amsterdam heeft bekend dat hij 87 kinderen seksueel heeft misbruikt. Hoofdofficier Theo Hofstee: „We zijn veel opener geweest dan anders.”

Als de Amsterdamse zedenzaak maandag begint, volgt hoofdofficier van justitie Theo Hofstee die vanuit zaal 1a in de rechtbank aan de Parnassusweg. Daar zitten ouders wier kinderen vrijwel zeker zijn misbruikt. Ze volgen de rechtszaak in een andere ruimte om niet door de pers te worden belegerd. Zij worden in busjes naar de rechtbank gebracht en kunnen via het gangenstelsel onder de rechtbank ongezien de zaal betreden.

Net als de meeste Nederlanders hoorde Theo Hofstee (54) voor het eerst over de zedenzaak toen er in december 2010 op televisie een persconferentie over werd uitgezonden. Hij was toen hoofdofficier van justitie in Den Haag. Enkele maanden later werd hij benoemd tot hoofdofficier in Amsterdam, en daarmee verantwoordelijk voor de zaak waarin hoofdverdachte Robert M. seksueel misbruik van 87 kinderen heeft bekend. Niet eerder behandelde het OM een zaak waarbij tientallen baby’s en peuters en hun ouders als slachtoffer betrokken zijn. „Natuurlijk raakt zo’n zaak je veel meer dan een liquidatie in het criminele circuit.”

Heeft de betrokkenheid van zoveel slachtoffers het onderzoek beïnvloed?

„Het onderzoek zelf niet zo. Nadat een misbruikt jongetje in Opsporing verzocht was getoond, is M. snel aangehouden. Vrij kort daarna heeft hij bekend en is ook ondersteunend beeldmateriaal gevonden. We zijn veel opener geweest dan anders. We hebben verteld dat hij had bekend. We hebben verteld dat hij geen geslachtsziektes had. We hebben ook verteld waar een Britse medeverdachte aan was overleden – aan een overdosis.”

Niet aan aids.

„Nee.”

De betrokkenheid van zoveel ouders was en is logistiek ingewikkeld. „We wilden dat ouders steeds als eersten de voor hen relevante informatie zouden horen. Maar 87 ouderparen tegelijkertijd informeren is lastig. Het vraagt strakke timing. We hebben onder meer een besloten website gemaakt, waarop zij informatie krijgen. Maar vaak werd nieuws over de zaak persoonlijk verteld door een van de 77 familierechercheurs.”

U vervolgt Richard van O., de echtgenoot van Robert M., voor het medeplegen van seksueel misbruik van 67 heel jonge kinderen. Hij heeft die kinderen met geen vinger aangeraakt maar kan straks dezelfde straf krijgen als hoofddader Robert M.

„Als de rechtbank dat zou overnemen, zou dat kunnen.”

U klinkt niet zeker van uw zaak.

„Ik zeg dat voorzichtig uit respect voor de rechtbank en de verdediging.”

Maar u acht hem net zo schuldig als M. omdat hij het misbruik mogelijk heeft gemaakt?

„Het gaat verder dan dat. Hij was heel specifiek op de hoogte. Hij heeft beelden van het misbruik gezien op de computer van M. Verder kocht hij glijmiddel en zakjes waarin dat onopvallend mee te nemen was. Hij heeft meerdere keren de woning verlaten zodat M. kinderen kon misbruiken. Onder het mom: ‘Doe maar lang over de boodschappen.’ Dat vinden wij zo’n verregaande samenwerking dat we zeggen: hij is medeverantwoordelijk.”

Het Pieter Baan Centrum heeft geadviseerd Robert M. tbs op te leggen. Terwijl hij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek. Vindt u dat verantwoord?

„Hij is zeven weken opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum. Je kunt zeggen dat je niet meewerkt en dan toch af en toe antwoord geven op vragen die inzicht verschaffen. Dat soort contacten is er geweest. De gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum zeggen dat ze voldoende informatie hebben gekregen om een beeld te vormen.”

Je hebt een volledig beeld of niet.

„Zij hebben een voldoende duidelijk beeld gekregen. En deze deskundigen zijn ter zake kundig. Ze zeggen het geregeld als ze geen advies kunnen geven.”

Desondanks heeft het OM wel kritiek op de gedragskundige analyse over Richard van O. Dat lijkt een ongerijmdheid, je vertrouwt de deskundigen of niet.

„Wij vertrouwen de professionals, maar hebben nadere vragen gesteld over hun conclusies, bijvoorbeeld het vermeende lage libido van de verdachte. Wij willen weten hoe dat te rijmen is met de verklaring van verdachte dat hij 300 tot 365 dagen per jaar kinderpornobeelden bekeek. Wij vragen ons af of er door de deskundigen niet te veel is geleund op de eigen verklaring van verdachte.”

Dan vertrouw je de deskundige toch niet?

„Jawel, maar over de inhoud van deze analyses kun je van mening verschillen. We hebben de deskundigen gevraagd hun standpunt te verduidelijken. Dat gebeurt wel vaker. Bij de analyse van Robert M. heeft de verdediging andere deskundigen gevraagd om te beoordelen of het Pieter Baan Centrum überhaupt wel tot een oordeel had moeten komen over M.”

Maandag begint de zaak. Het OM wil dat de rechters een selectie van de kinderporno bekijken. Waarom?

„We willen de manier waarop M. het misbruik pleegde aan de rechters laten zien. Maar we tonen ook beelden waarover het OM en Robert M. van mening verschillen. Bijvoorbeeld over de vraag of er sprake is van ‘binnendringen’.”

Krijgen Robert M. en Richard van O. de beelden van het misbruik ook te zien?

„Als je een schouw organiseert, weet je dat alle procespartijen daar bij mogen zijn. Een verdachte moet kunnen beoordelen wat hem ten laste wordt gelegd. Maar wij vinden het niet noodzakelijk dat ze erbij zijn. We hebben inmiddels begrepen dat ze niet willen komen. Dat vinden wij prima.”

Weten de ouders welke beelden worden vertoond?

„De ouders van de kinderen die het aangaat zijn, als ze dat wilden, hierover ingelicht.”

Vinden zij het niet verschrikkelijk dat die beelden worden getoond?

„Dat zou kunnen, maar je kunt je ook voorstellen dat zij willen dat de ernst van het misbruik duidelijk wordt voor de rechters.”

Staat het OM nog steeds achter het besluit Robert M. zonder balkje voor de ogen te tonen op de eerste persconferentie over de zaak?

„Over dat besluit hebben we het hier veel gehad en we vinden het een goed besluit. We wilden ouders geruststellen die M. niet als oppas hadden gehad en daarmee onnodige onrust voorkomen. Tegelijkertijd wilden we de ouders wier kind wél was verzorgd door M. zo snel mogelijk bereiken en ze hulp kunnen bieden.”

Ouders zeggen: we hadden hem ook herkend mét balkje.

„Dat zou kunnen, dat ze dat zeggen. Wij staan achter het besluit om zoveel mogelijk mensen zo snel mogelijk duidelijkheid te geven.”

Mogelijke handlangers van Robert M. wisten ook meteen dat ze hun bestanden moesten wissen.

„De ervaring leert dat het nieuws dat iemand offline is, zich in dit soort netwerken razendsnel verspreidt.”

Als Robert M. ooit zou moeten terugkeren in de samenleving, kan dat door de bekendheid van zijn uiterlijk eigenlijk niet meer. Voelt het OM zich daar verantwoordelijk voor?

„Ik vind dit niet het moment om het te hebben over een terugkeer in de samenleving. De zitting moet nog beginnen, waarin we gaan proberen om hem veroordeeld te krijgen. ”

Heeft het OM überhaupt een verantwoordelijkheid bij terugkeer van daders in de maatschappij?

„Samen met andere partijen, jazeker. We informeren bijvoorbeeld slachtoffers zodat die niet onverwacht geconfronteerd worden met iemand door wie ze iets is aangedaan.”

En de dader die zijn straf heeft uitgezeten?

„Ik heb het over de dader én het slachtoffer. Om iemand op een goede manier te laten terugkeren is het ook belangrijk dat de buurt goed is geïnformeerd.”

Het kan de terugkeer ook bemoeilijken, als de buurt het weet. Maar u zegt eigenlijk: het slachtoffer staat voorop.

„Absoluut.”

Vorige week zijn weer twee mannen die in contact stonden met M. aangehouden, in Canada.

„Ik las het in de krant.”

U wordt daarover niet eerder geïnformeerd?

„Nee, het KLPD doet dat internationale onderzoek.”

U vertelt heel rationeel over deze zaak. Zet u het gemakkelijk van u af?

„Het zou niet goed zijn als je dit loslaat zodra je thuiskomt. Dan ben je niet betrokken genoeg. Als er details voorbijkomen, zie je dat collega’s even moeten slikken. Daarom hebben we ook een traumapsycholoog ingehuurd die onze medewerkers begeleidt. Hij houdt groepsgesprekken en individuele gesprekken met medewerkers. Maar dan gaat het om secundair trauma, zoals dat heet.”

Maar doet het ú ook wat?

„Ik kom misschien zakelijk over, maar bij mij staat het verdriet van de ouders voorop. Zíj hebben iets vreselijks meegemaakt en moeten nu weer een strafzaak volgen in een wereld waarin ze niet thuis zijn. Dat is het echte leed.”

M. is verhoord met cijfers. Elke seksuele handeling is genummerd van één tot zes, waar bijvoorbeeld ‘zes’ synoniem is voor penetratie. Waarom gebeurde dat?

„Zo had hij de foto’s op zijn computer geordend, per handeling, niet per kind. De nummers zijn voor het eerst door hem gebruikt tijdens de politieverhoren omdat hij aangaf op die manier makkelijker over de aard van het misbruik te kunnen verklaren. ”

De cijfers corresponderen met heel kinderlijke omschrijvingen door M. van de seksuele handelingen. Waarom is ingestemd met die eufemistische terminologie?

„In die termen heeft hij willen verklaren.”

En anders niet?

„Daar wil ik nu niet op ingaan, dat moet maar tijdens het proces besproken worden.”

Een deel van de bestanden op M.’s laptop is beschadigd en overschreven. Hoe weet u wat u niet weet?

„Van zijn computer hebben we alles kunnen ‘lezen’. Op zijn laptop veel, maar niet alles. Toch denken we dat we het meeste hebben. M. sloeg de bestanden heel systematisch op. Er zitten geen ‘gaten’ in de chronologie van zijn archief die suggereren dat er dingen missen.”

Maar als er geen beeld is gevonden van kinderen, zegt dat dus niet alles.

„Dat klopt, een deel van de ouders zal onzekerheid houden.”

M. heeft snel bekend, maar heeft hij ook inzicht getoond in wat hij heeft aangericht?

„Het antwoord op die vraag is ingewikkeld. Hij heeft wel emotie getoond tijdens de verhoren. Maar de officieren die de zaak behandelen vinden hem te complex om die emoties goed te kunnen interpreteren. Bij de behandeling van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal daarover meer duidelijk worden.”