De verborgen schat van het Victoriameer

Antropologie

De nijlbaarsvisserij in het Victoriameer is wel afgeschilderd als neokoloniale plundering. Maar de nederzettingen aan het meer bieden jonge Afrikanen juist veel kansen.

Bij de Keniaanse oever van het het Victoriameer vissen Luo in de vroege ochtend op nijlbaars en tilapia. Foto Corbis

Alles aan het Victoriameer is groot. Allereerst de oppervlakte: het is met 68.800 vierkante kilometer het grootste tropische zoetwatermeer ter wereld. Toen de Britse ontdekkingreiziger John Hanning Speke, op zoek naar de bronnen van de Nijl, het in 1858 als eerste Europeaan zag liggen, vernoemde hij deze ‘reusachtige watervlakte’ naar de machtigste vrouw op aarde, zijn koningin.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstond groot rumoer rond het Victoriameer. Om de bevolking aan een goede eiwitbron te helpen, hadden de Britten er in de nadagen van hun bewind nijlbaars (Lates niloticus) uitgezet. Dat is een roofvis die één tot anderhalve meter lang kan worden. Hij richtte een ravage aan onder de inheemse Victoriacichliden. Zo’n 300 soorten verdwenen; er werd gerept van een milieuramp.

Intussen heeft de nijlbaarsvisserij een grote vlucht genomen. Het leeuwendeel van de in plaatselijke fabrieken verwerkte vis wordt als gekoelde luchtvracht naar Europa geëxporteerd en hier verkocht als nijlbaarsfilet. De landing sites aan het meer trekken honderdduizenden jonge Afrikanen op zoek naar werk.

In 2004 maakte de Oostenrijkse cineast Hubert Sauper – zelf geen wetenschapper – een documentaire over de sociaal-economische effecten van deze visserij-boom: Darwin’s Nightmare. Daarin laat hij het zwartst mogelijke beeld van Afrika zien: uitbuiting van vissers; ziekten en prostitutie in de nederzettingen aan het meer; honger door de verdringing van traditionele voedselbronnen; en overbevissing als gevolg van ongebreidelde export van nijlbaars. De film deed veel stof opwaaien en werd in 2007 door het IDFA-publiek uitgeroepen tot de beste documentaire in twintig jaar.

Veel vertier

Antropoloog Joost Beuving had de documentaire niet gezien toen hij in 2006 besloot onderzoek te doen aan het Victoriameer. “Het idee ontstond tijdens een gesprek in de kroeg. Een vriend had jaren in Oeganda gewerkt als aids-onderzoeker. Hij kwam vaak in de vissersdorpen rond het Victoriameer, waar de aids-percentages hoger zijn dan elders, mede als gevolg van de massale arbeidsmigratie. Hij vertelde wat voor fascinerende plekken die nederzettingen zijn. Een beetje verstopt, buiten het zicht van de steden, maar heel levendig, met het nodige vertier en een heel gemengde bevolking. Mijn aandacht was meteen getrokken.”

Met financiële steun van de Amerikaanse Wenner-Gren Foundation deed Beuving in de afgelopen vijf jaar in totaal een jaar veldwerk in Lambu, een nederzetting aan de Oegandese oever van het Victoriameer. Afgelopen januari sloot hij het onderzoek af. In het wetenschappelijke tijdschrift Africa analyseerde hij de nijlbaarsvisserij als een reeks loopbanen. Die beschrijft hij aan de hand van de levensverhalen van vissers aan de onderkant van de bedrijfsketen: bemanningsleden van de tientallen duizenden houten kano’s waarmee gevist wordt op het meer. Centrale figuur in het verhaal is Soumani, een jongeman uit een boerendorp in het midden van Oeganda. Hij begon in Lambu met boten lossen, kookte voor anderen, herstelde netten, werd op den duur bemanningslid en uiteindelijk kapitein van een viskano.

Beuving: “Loopbanen in de landing sites worden vooral bepaald door toegang tot kapitaal. Boten en uitrusting zijn duur en bedrijfskrediet is moeilijk te krijgen. Een kleine minderheid van vissers die aan externe financiering kan komen, máákt het in de nijlbaarzenbusiness, dat wil zeggen: kan een kano met buitenboordmotor aanschaffen of, beter nog, zich een plaatsje veroveren in de handel met de visverwerkende fabrieken. De meeste vissers hebben onvoldoende contanten om een gestaag inkomen, laat staan winst te realiseren uit deze expanderende bedrijfstak.”

Toch schrikt uitblijvend succes hen niet af. “Steeds grotere aantallen vissers strijken neer in de nederzettingen aan het meer. Zij vangen de risico’s en onzekerheden op met nevenactiviteiten: kleine dienstverlening die wat geld oplevert dankzij de economische hectiek aan de meeroever. Die dienstverlening biedt een financiële buffer voor de frequente perioden van werkloosheid. Er zijn in Lambu tweemaal meer aspirant-vissers dan er plek is op de vissersboten [zie kader]. Er is dus heel veel verborgen werkloosheid. Het is een leven van eindeloos rondhangen en hopen dat je een plek aan boord krijgt.”

Op termijn worden de economische vooruitzichten er niet beter op. De vangsten nemen namelijk af. Daardoor stijgen de prijzen, maar daar profiteren bemanningsleden niet van – tenzij ze een deel van de vangst onderhands verkopen. Er is dus steeds meer kapitaal nodig voor de grotere kano’s die nodig zijn om verder op het meer te vissen. Daarmee slinken de kansen om hogerop te komen in de bedrijfsketen. Tegelijkertijd blijven jongemannen toestromen uit de boerendorpen, want de landingsplaatsen aan het meer hebben de naam dat er goed geld wordt verdiend. Zo nemen de kansen op emplooi af. Toch blijven de jongemannen wachten in de landing sites. Waarom?

De landingsplaats vertoont volgens Beuving grote overeenkomsten met een Afrikaanse stad: “Je kunt er een leven leiden buiten bereik van verwanten. Familiebanden en bijbehorende verplichtingen worden door jonge Oegandezen als knellend ervaren. ‘Hier valt niemand me lastig’, hoor je vaak. Verder kennen de landingsplaatsen een ruime keus aan vrijetijdsbestedingen: pool halls, bars, dancings, karaoke en videohallen waar je de laatste Nigeriaanse soaps, Aziatische vechtfilms en Britse voetbalwedstrijden kunt zien. Die gelegenheden zijn belangrijke sociale instituties voor jongeren in de visserijbranche. Als je het hun zelf vraagt, zeggen ze steevast: ‘Hier gebeurt het’.”

Kapotte kleren

Cineast Hubert Sauper houdt zijn publiek voor: kijk eens wat voor leven deze mensen leiden. Het is een onzeker bestaan, ze leven van de hand in de tand, er komen veel ziekten voor. Beuving: “Dat is allemaal waar, maar vergelijk het nu eens met het platteland waar ze vandaan komen. In Oegandese dorpen zie je mensen zonder schoenen en met kapotte kleren. Als je hen vraagt ‘wanneer heb je voor het laatst gegeten’ zeggen ze ‘gisteren’. In de landings hebben mensen schoenen aan, ze dragen kleren die heel zijn. Ze zijn over het algemeen beter gevoed en eten vaker dan in het dorp. En er is veel meer te krijgen. Lambu heeft een kleine medische post, er zijn medicijnen verkrijgbaar. In veel dorpen in Oeganda zijn die er absoluut niet.”

Al met al sterke motieven om te blijven. Beuving: “Dit is het nieuwe Afrika, dat zich onttrekt aan traditionele structuren. Het stelt jonge mensen in staat een leven te leiden dat twintig jaar geleden volstrekt onmogelijk was. De enige andere manier is naar de stad gaan. Dat is heel risicovol en ontzettend kostbaar. Een stad als Kampala begint zelfs voor ons duur te worden. ”

Exportverbod

Beuving beschouwt de nijlbaarsvisserij als een economisch succes. “Het heeft geleid tot diversificatie van de uitvoer, het heeft de overheid buitenlandse deviezen gebracht en het heeft voor veel werkgelegenheid gezorgd. Een kwart eeuw geleden was Oeganda een traditionele exporteur van cash crops: koffie, thee, cacao. Tegenwoordig wisselt nijlbaars stuivertje met koffie.”

Sauper zegt dat de nijlbaarsexport honger heeft gebracht aan het meer. Beuving: “In de jaren negentig is er tweemaal een exportverbod geweest. In Europa werd namelijk salmonella-infectie geconstateerd. Voor en na het verbod zijn studies gedaan naar de voedselsituatie. Je zou verwachten dat als er minder vis wordt geëxporteerd, er meer overblijft en dus meer lokaal gegeten wordt. Maar dat was niet zo. Door dat exportverbod was er minder geld, zodat mensen minder voedsel konden kopen. Voor een deel zijn vissers voor eigen voedsel gaan vissen. Op tilapia bijvoorbeeld, een grote cichlide. Nijlbaars wordt weinig gegeten. Mensen vinden het vlees niet lekker. Het is vet en het bederft snel. De meeste vissers die ik ken, hebben er tijdens de exportverboden een tijdje landbouw bij gedaan. Die wachtten tot ze weer nijlbaars konden gaan vissen.”

Na vijf jaar nijlbaarsonderzoek is Beuving tot de conclusie gekomen dat ‘Darwin’s Nightmare’ een heel eenzijdig beeld geeft van wat er aan het Victoriameer gebeurt. “De film wijst op uitbuiting en uitzichtloosheid, maar landing sites als Lambu zijn juist plaatsen waar mensen graag willen zijn. Waar ze zich kunnen ontwikkelen. Waar ze vorm kunnen geven aan een eigen identiteit, wat in het dorp niet mogelijk was.”