De Tweede Kamer moet haar greep op de AIVD vergroten

De AIVD verzuimt voortdurend zijn taken. Het schort vooral aan openheid. Dit kan het parlement niet over zijn kant laten gaan, schrijft Ronald van Raak.

Illustratie Ares

Een hooggeplaatste figuur binnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) vroeg ik eens: waarom spioneren de Verenigde Staten, Israël en Italië eigenlijk in Nederland? Deze persoon antwoordde: hoe komt u erbij dat Italië bij ons spioneert? De andere twee doen het dus wel.

Inlichtingenwerk is mensenwerk. Een goede controle is noodzakelijk. Het is alleen moeilijk te controleren of de AIVD zijn werk goed doet. Als Tweede Kamerlid ben ik afhankelijk van de informatie die ik krijg van de minister. Verzoeken om aanvullende informatie worden vaak afgewezen. Zelf onderzoek doen en een netwerk van informanten opbouwen, zoals ik bijvoorbeeld bij het dossier van de politie deed, is hier nauwelijks mogelijk.

De AIVD moet transparanter worden, zei hoofd Rob Bertholee eergisteren in deze krant. Dat is een goed streven – en ook hard nodig.

In november 2006 werd ik lid van de Tweede Kamer. De ervaringen die ik sindsdien heb opgedaan, zijn niet goed. De parlementaire controle op de AIVD is niet op orde. Fouten die de geheime dienst maakt worden niet geopenbaard – en dus ook niet rechtgezet. Relevante informatie wordt onnodig vaak geheimgehouden. De gebruikte methoden, zoals de inzet van journalisten, worden niet bediscussieerd. Soms lukt het om als Kamerlid een voet tussen de deur te krijgen. Dan wordt duidelijk dat beter toezicht nodig is.

Als mensen onderwerp van onderzoek zijn geweest, moet de AIVD hen daarover informeren. Sindsdien 2007 vraag ik de minster geregeld of de geheime dienst deze notificatieplicht ook uitvoert. In september 2010 heb ik de AIVD zelfs een taart beloofd als de eerste burger een dergelijk briefje zou krijgen. In juni 2011 vroeg ik toenmalig minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) opnieuw hoeveel mensen bericht hadden ontvangen. Na weken getouwtrek bleek dat hij deze informatie niet wilde geven. Hierop vroeg ik een journalist van het AD of hij bereid was om eens te bellen. Hij kreeg per ommegaande antwoord. Sinds 2007 heeft nog niemand een notificatie ontvangen.

In september 2008 vroeg ik toenmalig minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) hoeveel salafistische jongerenpredikers actief waren in Nederland. De AIVD had besloten meer aandacht te besteden aan processen van radicalisering, om te voorkomen dat jongeren gevoelig zouden worden voor de boodschap van terroristen. Dit was een flinke uitbreiding van het aandachtsgebied van de geheime dienst. In al mijn voorzichtigheid besloot ik te vragen naar het aantal salafistische predikers. Deze informatie was geheim, totdat diezelfde maand bleek dat het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) wel beschikte over deze informatie: er waren destijds twintig jongerenpredikers actief.

In 2002 werd de wettelijke basis gelegd voor de AIVD. Met deze wet is ook de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) ingesteld. De leden van deze commissie kunnen uitgebreid onderzoek doen bij de AIVD. Zij mogen alles zien en iedereen spreken. Mijn ervaringen met deze commissie zijn bijzonder goed. De leden stellen zich onafhankelijk op en presenteren kritische rapporten. Hun mandaat is evenwel beperkt. De commissie mag kijken of de AIVD rechtmatig opereert en zich houdt aan de wet. De CTIVD ziet ook of de AIVD zijn werk goed doet, maar daar mag ze de Kamer niet over informeren.

Het belang om het optreden van de AIVD te onderzoeken, bleek na de moord op filmmaker Theo van Gogh, in 2004. Toenmalig minister Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) stelde dat de dienst deze moord niet had kunnen voorkomen. Een van mijn eerste debatten over de AIVD, in januari 2007, ging over een onderzoek dat dit beeld bevestigde. Toch vroeg de Kamer nader onderzoek. De CTIVD kreeg een uitgebreider mandaat: de efficiency van de AIVD moest worden onderzocht. De conclusies in maart 2008 sloegen in als een bom. De AIVD had voldoende informatie gehad om Mohammed B. in de gaten te houden, maar was hem door interne fouten uit het oog verloren.

In 2008 kreeg de Tweede Kamer een uniek inkijkje in de manier waarop de AIVD toen werkte. Afdelingen werkten niet goed samen. Informatie werd niet goed verwerkt. Onduidelijk was wie uiteindelijk verantwoordelijk was voor het monitoren van potentiële terroristen. Ik ben ervan overtuigd dat de dienst heeft geleerd van dit onderzoek, veel nieuwe mensen heeft aangetrokken en veel heeft geïnvesteerd in de interne processen, maar ik weet niet of de structurele problemen zijn opgelost. De Kamer bleek tot nu toe niet bereid een onderzoek te doen. Opnieuw moet ik me tevreden stellen met geruststellende woorden van de minister.

In de strijd tegen het internationale terrorisme moeten landen goed samenwerken. Dit gebeurt niet. Landen steken veel tijd en geld in het bespioneren van elkaar – voor economische spionage, zoals China, of om ‘landgenoten’ in de gaten te houden, zoals Marokko. Rusland lijkt vooral te spioneren omdat ze nu eenmaal veel spionnen heeft. De Verenigde Staten lijken geïnteresseerd in besluitvormingsprocessen in ons land. Dit soort spionage loopt vooral via de ambassade. In Zweden is vorig jaar een openlijke discussie gevoerd over de activiteiten van CIA-spionnen, die in dat land mensen in de gaten hielden zonder dat de Zweedse regering ervan op de hoogte was. Ook Nederland heeft in het verleden CIA-spionnen uitgezet, maar dit is geheimgehouden door onze regering.

In de strijd tussen geheime diensten heeft de AIVD het niet gemakkelijk. Met ruim vijftienhonderd medewerkers is de dienst internationaal een kleine vis. Andere diensten zijn vaak bereid informatie te delen, maar willen hier ook iets voor terug. Dit verklaart misschien waarom de AIVD haar informatiepositie in het buitenland wil verbeteren, ook in oorlogsgebieden. Journalisten zijn voor de geheime diensten een heel goede dekmantel. Ze komen overal en kunnen alles opschrijven, zonder al te veel argwaan te wekken. De AIVD heeft wettelijk de mogelijkheid om journalisten in te zetten als informant. Dit is niet alleen een bedreiging voor de journalistieke onafhankelijkheid, maar ook voor de veiligheid van journalisten.

In een recent onderzoek schreef de CTIVD over de manier waarop de AIVD een politieke partij had geïnformeerd over activiteiten van een mogelijke kandidaat bij lokale verkiezingen. Dit betrof mijn partij. Een politieke partij informeren over een kandidaat is een gevoelige aangelegenheid. De geheime dienst mengt zich immers in de interne democratie van een partij. De CTIVD constateert dat de AIVD zich hier niet heeft gehouden aan de procedure. Hierdoor kan de commissie niet meer achterhalen of de dienst terecht is opgetreden, op welke informatie de dienst zich baseerde en of mijn partij juist is geïnformeerd.

Ik kan mij moeilijk voorstellen dat hier sprake is van een vergissing. Medewerkers van de dienst moesten procedures omzeilen en informatie laten verdwijnen. De BVD, de voorganger van de AIVD, had een trieste traditie van infiltreren in linkse bewegingen. De BVD werd in 1949 mede opgericht in reactie op de electorale successen van de CPN. In de jaren zestig werd zelfs een eigen Socialistische Werkers Partij opgericht, met als doel in andere partijen te infiltreren. Ook de PSP en de Kabouterpartij waren onderwerp van infiltratie. Zelfs de vredesbeweging in de jaren tachtig had belangstelling van de Nederlandse geheime dienst.

Na het einde van de Koude Oorlog ging het infiltreren door. In juni 2011 onthulde Paul Kraaijer dat hij 25 jaar lang is geïnfiltreerd in antifascistische groepen en dierenrechtenorganisaties. Het opmerkelijke van het verhaal van deze spion – die naar Suriname is uitgeweken – is dat hij niet alleen moest achterhalen of mensen een bedreiging vormden voor de rechtsstaat, maar zelf verstorende activiteiten moest organiseren. Paul Kraaijer is ook lid geweest van GroenLinks en de SP. Er zijn geen aanwijzingen dat hij in deze partijen verstorende activiteiten heeft gepleegd, maar het is ook moeilijk te geloven dat hij uit louter overtuiging lid was van deze partijen.

De Tweede Kamer moet haar greep op de AIVD vergroten. Het parlement kan niet accepteren dat informatie zo gemakkelijk ‘geheim’ wordt verklaard. Staatsgeheimen zijn bedoeld om de veiligheid van het land te beschermen, niet de positie van regeringen. Nodig is dat de bevoegdheden van de toezichtscommissie worden uitgebreid, opdat deze commissie kan kijken welke informatie wel of niet openbaar kan worden. Ook zou het goed zijn als de AIVD periodiek door de CTIVD wordt doorgelicht, om te zien waar de dienst tekortschiet. Als spionnen van ‘bevriende’ landen in Nederland actief zijn, moet dat niet worden verzwegen. Als het optreden van de AIVD een mogelijke bedreiging is voor democratische instituten, zoals de inzet van journalisten of bemoeienis met partijen, moet dat onderwerp zijn van politiek debat. Bij de AIVD werken gewone mensen, die gewone fouten maken. Als we van die fouten in alle openheid leren, bewijzen we onze democratie een grote dienst.

Ronald van Raak is lid van de Tweede Kamer voor de fractie van de SP.