De inspecteurs van de ziel

Aflevering 28: over de Russische roman.

©

Is het waar? Horen de Russen niet bij „ons soort Europeanen”, zoals de ex-diplomaat Robbert van Lanschot twee weken geleden in deze krant beweerde? Beschouwen ze zichzelf als niet-westers? En had de voormalige Belgische premier Guy Verhofstadt ongelijk toen hij in De Telegraaf zei dat er „wel degelijk een Europese cultuur [is]. Van hier tot aan de Wolga”?

Driewerf nee, zou je zeggen op basis van de Russische literatuur. Niet alleen is een van de grote thema’s van de negentiende-eeuwse schrijvers ten westen van de Oeral het verlangen om Europees te zijn (en de problemen die dat oplevert); ook zijn ‘de Russen’ stevig ingebed in de Europese literatuur. Zonder Lord Byron geen Poesjkin, zonder Flaubert geen Toergenjev; Tolstoj werd beïnvloed door de pedagogische fictie van Rousseau en de maatschappij-omspannende romans van Thackeray, Dostojevski door Shakespeare en Balzac. Bijna alle Russische romanciers uit de tweede helft van de negentiende eeuw liepen weg met Victor Hugo en Charles Dickens. En dan hebben we het nog niet eens over de invloed die de Russen op hún beurt uitoefenden op Europese schrijvers: op Franz Kafka, die aanhaakte bij het absurdistisch realisme van Gogol; op Thomas Mann en Milan Kundera, die Tolstojs Anna Karenina als hun favoriete boek beschouwden; op de honderden korte-verhalenschrijvers die de kunst afkeken bij Tsjechov; en op Louis Paul Boon, Albert Camus, Joseph Conrad, Louis Couperus, Knut Hamsun, Michel Houellebecq en R.L. Stevenson en al die anderen die zich door Dostojevski lieten inspireren.

9200000014654146

„Een realist op een hoger niveau” noemde Dostojevski zichzelf: „ik beschrijf alle dieptes van de menselijke ziel.” Hij sprak niet alleen voor zichzelf maar ook voor zijn collega’s. De Russen kwamen op plaatsen die de meeste andere schrijvers niet bereikten. Zij zagen de mens in al zijn ijdelheid (Gogols Dode zielen), zijn zwakte (Anna Karenina), zijn vergeefsheid (Gontsjarovs Oblomov), zijn existentiële verwarring (Lermontovs Held van onze tijd) en zijn nietigheid (Tolstojs Oorlog en vrede). Eén belangrijke vraag rijst uit al hun boeken op: Hoe moet men leven? Het antwoord kwam nooit en is onverminderd actueel.

Over de vraag naar de grootste der Russische romans is het fijn debatteren. Sommigen pleiten voor Poesjkins roman-in-verzen Jevgeni Onegin of Gogols epische satire Dode zielen. Anderen noemen Misdaad en straf of De broers Karamazov van Dostojevski; het ene een filosofische speurdersroman over een Petersburgse student die een oude woekeraarster vermoordt en uiteindelijk tot schuld en boete gedreven wordt; het andere een murder mystery dat vragen stelt over vaderschap, romantische liefde en de goedheid van God. Maar misschien is de enige juiste keuze toch Oorlog en vrede, Tolstojs historische roman over Rusland tijdens de veldtochten van Napoleon.

Oorlog_en_vrede_57345a8897fa7

Met vijftien ‘boeken’, twee epilogen en 580 personages behoort ‘Vojna i mir’ (1864-’69) tot de omvangrijkste projecten uit de wereldliteratuur, romancycli als die van Marcel Proust en J.J. Voskuil niet meegerekend. Het begin is taai, met nogal wat Franse salontaal en een barrage van Russische namen; maar al gauw word je meegesleept door de avonturen van de families Rostov en Bolkonski en door de zoektocht naar de zin van het leven van de blunderende idealist Pierre Bezoechov (die pas aan het eind van het boek zijn grote liefde Natasja vindt). Een ‘loose, baggy monster’ noemde Tolstojs jongere collega Henry James Oorlog en vrede; maar dan wel een monster dat de lezer ferm in zijn greep houdt.

Niet dat het Lev Nikolajevitsj Tolstoj te doen was om de plot, of om wat hij zelf aanduidde als „de sentimentele scènes met jongedames, het afgeven op Speranski en al die andere flauwekul”. Sterker nog, Oorlog en vrede is een aanklacht tegen mensen die overal een plot in zien, en met name tegen historici die lijnen en patronen aan de geschiedenis willen opleggen. De geschiedenis, zo meende Tolstoj, is een opeenvolging van toevalligheden, en wordt niet bepaald door veldheren of belangrijke politici. Bevelen hebben geen invloed op de werkelijkheid, zelfs al zijn ze afkomstig van Napoleon; bedoelingen leggen het altijd af tegen de omstandigheden; mooi afgeronde verhalen komen in de werkelijkheid zelden voor.

‘Gewone’ mensen, daarin was Tolstoj geïnteresseerd, al voert hij ook tal van historische personages op; en allemaal beschrijft hij ze in zinnen die volgens wijlen Karel van het Reve „door een twaalfjarige begrepen” kunnen worden. Dat moet dan wel een twaalfjarige zijn die geen bezwaar heeft tegen filosofisch-historische uitweidingen, want Oorlog en vrede is niet alleen een spannende, maar ook een didactische roman. Niet didactisch genoeg, zou Tolstoj trouwens later zeggen. Nadat hij in 1877 zijn andere meesterwerk Anna Karenina had gepubliceerd, raakte hij in een spirituele crisis, waaruit hij tevoorschijn kwam als een fundamentalistische christen die zijn romans verloochende en non-fictie schreef met titels als Biecht en Wat is mijn geloof?

Tolstojs invloed als christelijk ideoloog en als historiograaf is zeer beperkt gebleven; zijn weerklank als schrijver is enorm – wat des te opmerkelijker is omdat hij anders dan Proust of Joyce stilistisch geen vernieuwer was. In de meeste taalgebieden, van IJsland tot Turkije, valt wel een navolger van de baardige schrijver-profeet te vinden. Zijn Oorlog en vrede is het pronkstuk van wat in Nederland – naar het uitgeefproject van Geert van Oorschot – De Russische Bibliotheek is gaan heten. En het wordt nog steeds, verkort of niet, overal gretig gelezen. Van hier tot aan de Wolga.