Brieven over de verdwijnende alfa’s

Ook bèta’s zijn slachtoffer colleges van bestuur

Rens Bod maakt zich zorgen over het verdwijnen van alfa’s uit de universiteit (Opinie & Debat, 3 maart). Hij heeft gelijk, maar het is niet helemaal nieuw. In de jaren zestig werd de enige (cum laude) gepromoveerde medewerker voor Portugees aan de Universiteit van Amsterdam ontslagen, toen onder druk van studenten en ongepromoveerde collega’s. Nu gaat de afbraak uit van de colleges van bestuur.

Een van de uitkomsten van de universitaire onlusten van de jaren zestig was de hervorming van het bestuur. Ik was de laatste decaan van mijn faculteit die kon stellen dat hij het ambt bekleedde „bij de gratie Gods en de wil van de faculteit”. Nu is een decaan een ondergeschikte van het college van bestuur. Daar wordt nu het beleid gemaakt, door mensen die onmogelijk inzicht kunnen hebben in onderzoek en onderwijs over het totale spectrum.

Bod denkt blijkbaar dat de bèta- en technische faculteiten zullen ontkomen aan de afbraak, vanwege hun praktische nut. Ik weet niet of het hem genoegen doet, maar ook daar slaan de colleges van bestuur toe. Wat Bod signaleert, is niet uitsluitend een aanslag op de beoefening van alfawetenschappen, maar een op de wetenschapsbeoefening in het algemeen.

Frans W. Sluijter

Emeritushoogleraar theoretische natuurkunde en oud-decaan aan de Technische Universiteit Eindhoven

Juist die private sector betekent einde alfa’s

Rens Bods betoog voor het behoud van de geesteswetenschappen komt uiteindelijk neer op de mogelijkheid van publiek-private samenwerking. Deze stap is voorspelbaar. Welke faculteit heeft haar ziel de afgelopen decennia niet verkocht aan de private sector? Universiteiten leveren advocaten voor de lawsuits, psychologen en sociale wetenschappers voor human resources, communicatiewetenschappers voor de public relations, bèta’s voor research and development. En de geesteswetenschappers?

In economische termen zijn geesteswetenschappen nutteloos. Sterker – zij zijn een luis in de pels, als enige faculteit met een onafhankelijke en kritische positie ten opzichte van de private sector. Deze positie wordt verkwanseld als zij zich door de machtige private sector laat chanteren tot ‘nuttigheid’.

Zolang de private sector de geesteswetenschap als nutteloos beschouwt, heeft ze bestaansrecht. Als ook de geesteswetenschappen tot dienaar van de private sector capituleren, is het einde echt nabij.

Jorg Meurkes

Amsterdam

Nederland niet hoofdschuldige in Srebrenica

In zijn als geheel overtuigende betoog over de betekenis van de geesteswetenschappen geeft Rens Bod (Opinie & Debat, 3 maart) helaas een voorbeeld uit de geschiedwetenschap met een onjuiste suggestie.

In het NIOD-rapport over de val van de enclave Srebrenica en de massamoord die erop volgde, wordt niet geconcludeerd dat de Nederlandse regering verantwoordelijk was voor die val en die massamoord. Het NIOD-rapport Een ‘veilig’ gebied wijst het Bosnisch-Servische leger, in het bijzonder legerleider Ratko Mladic en diens directe omgeving, aan als de eerst verantwoordelijken.

Dit optreden paste in het beleid van de Republika Srpska, dat in grote lijnen werd gesteund door Servië. De gruwelijke gewelddaden in het voormalige Joegoslavië in de jaren negentig van de vorige eeuw wortelden in de desintegratie van dat Joegoslavië. De evident inadequate internationale interventies, vanuit Europa en later vanuit de Verenigde Naties, speelden zeker een rol – van de tweede orde. Nederland komt pas aan bod als een speler van niet zeer grote betekenis in het kader van die internationale interventies. Nederland was dus een factor van hooguit de derde orde.

J.C.H. Blom

Emeritus hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en oud-directeur van het NIOD, direct betrokken bij het onderzoek voor het rapport over Srebrenica