Brieven opinie

Borstsparende operaties hebben ook nadelen

In de publieke opinie is een borstamputatie écht erge borstkanker. Het bericht over de overlevingskansen na borstsparende operatie (NRC Handelsblad, 3 maart) viel daarom in goede aarde. „Veel vrouwen die hun borst hebben laten afzetten wegens borstkanker, hadden net zo goed kunnen kiezen voor een borstsparende operatie”, stellen onderzoekers van het Nederlands Kanker Instituut (NKI). „Als de overlevingskansen gelijk zijn, waarom zou je je dan laten verminken?” gooit hoogleraar radiotherapie Harrie Bartelink daar overheen. Borstkankerchirurg Marie-Jeanne Vrancken-Peeters stelt: „Sommige vrouwen kiezen ook voor amputatie omdat ze opzien tegen de bestraling. Ze hebben ten onrechte het idee dat bestraling te veel pijn geeft”.

Dat overlevingskansen gelijk zijn bij amputatie en borstsparend opereren (behalve voor specifieke groepen) is niets nieuws. De richtlijnen voor de behandeling van borstkanker zijn hier al jaren op gebaseerd. Chirurgen worden zelfs geacht om borstsparend te opereren. Daar worden ze door de inspectie en verzekeraars op beoordeeld.

Maar is dat eerlijk? Borstsparend opereren, dat altijd gecombineerd wordt met bestralingen, heeft ook nadelen. In het Amerikaanse vakblad JAMA verscheen op 11 november 2009 een artikel van Deense onderzoekers waarin werd aangetoond dat de helft van de borstkankerpatiënten twee tot drie jaar na chirurgische behandeling pijnklachten heeft. Zo verhoogt adjuvante bestraling het risico op pijnklachten en hoe jonger de vrouwen, hoe hoger het risico op postoperatieve pijn. Ook is er risico op lymfoedeem, bewegingsbeperking van de arm en schouder, en beschadigde ribben na bestraling.

De vraag is niet wat de arts wil. Uiteindelijk moet de patiënt het mogen zeggen. De patiënt moet eerlijke informatie krijgen, waarbij deze restschade wél benoemd wordt. Niet doodgaan is belangrijk en kwaliteit van leven behouden ook. Of dat beter gaat met één of twee borsten, met of zonder bestralingen en dus met of zonder lymfoedeem, beschadigde ribben en pijn, die keuze moet de patiënt zelf mogen maken.

Désirée Hairwassers en Sanne van Soelen

Borstkankerpatiënten

Ontwikkelingssamenwerking is niet passé

Afgelopen week schreven Marcia Luyten (Opinie, 3 maart) en Paul Scheffer (Opinie, 6 maart) over ontwikkelingshulp. Beiden citeren zij de president van Angola, Dos Santos, die openstaat voor hulp aan Portugal, de voormalige kolonisator. De rollen zijn omgedraaid, willen beide auteurs zeggen. Scheffer gaat zo ver te stellen dat ontwikkelingshulp inmiddels symbool is van een voorbije tijd.

Het is waar, de wereld is veranderd en de verschillen tussen traditioneel rijke en traditioneel arme landen nemen af. Verschillen binnen landen nemen juist toe, en daar ligt een rol voor ontwikkelingssamenwerking. Zowel Luyten als Scheffer noemt de economische groeicijfers waar het Westen „zijn vingers bij zou aflikken”.

Achter deze groei liggen echter veelal grootschalige investeringen. Die zijn mede het gevolg van de rush op grondstoffen en gaan steeds vaker gepaard met milieuschade en negatieve sociale effecten. Economische groei is kortom relatief. Deze realiteit heeft buitensporige ongelijkheid binnen opkomende landen aangewakkerd. Om die ongelijkheid te lijf te gaan is een kritische maatschappelijke massa nodig, die veelal niet in het belang is van de elites, waarin politiek en economie niet zelden vervlochten zijn. Juist hierin is ontwikkelingssamenwerking ‘anno nu’ essentieel.

Manuela Monteiro

Algemeen directeur ontwikkelingsorganisatie Hivos