Brief over Joan Franka’s verentooi

Nikki Dekker trekt veel te snel de racismekaart

Nikki Dekker schrijft over de vermeend racistische verentooi van zangeres Joan Franka (Opinie, 5 maart). Tussen bewust geïnitieerd racisme en naïeve kledij bestaat evenwel een significante discrepantie.

Bij een rondleiding van mijn basisschoolklasje door het Tropenmuseum had ik de Peruaanse meneer „indiaan” genoemd. Een directe reprimande was het gevolg. Het was mij wel duidelijk dat de benaming woede veroorzaakte, maar zo was het toch niet bedoeld?

Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij het betoog van Dekker. De verentooi van Joan Franka ziet zij als een beledigende en racistische vertoning. Het is evident dat er genocide is gepleegd op de oorspronkelijke Amerikaanse gemeenschap, maar wat is dan de racistische component van het dragen van een hoofdtooi?

Het naïeve verkleedpartijtje van Franka getuigt niet van een groot historisch inzicht, maar zeggen dat het racistisch is leidt tot polarisatie. Enerzijds wordt onmiddellijk de Pavlovreactie ingeschakeld bij het zien van een ‘indiaans’-gerelateerd voorwerp, waarop de kreet ‘racisme’ de geconditioneerde respons is. Anderzijds zal de tegenpartij onmiddellijk defensief reageren, want waar de racismebeschuldiging is gevallen, vervalt meestal ook de constructieve dialoog.

Dekker vervolgt haar betoog door in vlechtenbandjes en verenaccessoires het huidige equivalent van black face te zien. Hierbij impliceert zij dus dat het dragen van een vlechtenbandje gelijk staat aan het uitoefenen van een racistische praktijk.

Nu dient stereotypering uiteraard voorkomen te worden. Toch wil ik een algehele oproep doen om niet in iedere mogelijk stereotyperende situatie of slechte verkleedpartij een latente vorm van racisme te zien. Om iemand naar aanleiding van een simpel optreden te categoriseren als racist, is een abjecte conclusie.

Jeroen Altelaar

Student psychologie aan de Universiteit van Amsterdam