Tweed, tweed

We gingen weer naar Londen, niet alleen om David Hockney te gaan zien, maar vooral ook om te kijken hoe het met mijn tweedjasje stond, anderhalf jaar geleden in een onberaden moment besteld bij een kleermaker in Savile Row. Drie keer naar Londen teruggegaan om te passen. Zou het eindelijk klaar zijn?

We meldden ons op de afgesproken tijd. Wilden we koffie? Nou nee, want de vorige keer hadden we vastgesteld dat het misschien wel goede kleermakers waren, maar koffie zetten konden ze niet. Meteen door naar de pasruimte. Als mevrouw nou hier in het hoekje ging zitten, dan zullen we uw jasje halen.

Aan de wand hing een merkwaardig marteltuig, met stokken en meetlinten. Ja, dat apparaat was lang geleden ontwikkeld voor een klant in Amerika. Het kostte twintig minuten om het aan te gorden, maar dan hadden ze ook alle maten van die klant. En daar was mijn jasje. Veel opgeschoten waren ze niet. De revers zag er nog steeds uit als twee gapende wonden, waar de pluizige voering als ingewanden naar buiten puilde. Geen knopen, geen zakken. Ik werd er voorzichtig in gehesen. De mouwlengte was precies goed, maar ach hemeltje, mijn arme schouders waren alweer smaller geworden. De man kneep de stof samen en dreef er met grote kracht spelden in. Kijk, mevrouw, wees hij, als we hier niks aan doen, komt daar boven een valse plooi. Een woedende ruk aan de onderkant van het jasje. En een speld. En nog een. En hier een. En daar een. En daar nog drie. Ziezo.

Denkt u dat het jasje misschien donderdag klaar zou zijn? Nee, maar weet u wat? We sturen het op, als u belooft er mee terug te komen voor de allerlaatste verfijningen.

We stonden weer buiten. Zonder jasje. Terwijl mijn vrouw me bemoedigend op de te smalle schouder klopte, slofte ik terneergeslagen de straat uit. Volkomen murw gemeten.