Trouw, maar zonder overgave

Het Boekenweekthema is zo breed, dat het eigenlijk geen thema meer is. Dat hoeft geen bezwaar te zijn, maar maakt een strenge keuze uit vriendenromans wel noodzakelijk: Van Pietje Bell naar J.J. Voskuil.

Soms denk je een antwoord meteen te weten. Voor het mooiste vriendschapsboek van de Nederlandse letteren heb je maar twee dingen nodig: een exemplaar van De ontdekking van de hemel en een scherp mes. Met dat laatste snijd je de eerste 300 bladzijden van het boek los, zodat je de schitterende scènes van de vriendshap tussen Onno Quist en Max Delius overhoudt. Of liever nog de eerste zestig, met het prachtige, uitgesponnen begin, waarin Max Onno vanuit Den Haag een lift geeft met zijn sportauto. Eenmaal aangekomen lopen ze door nachtelijk Amsterdam en vinden steeds maar weer een reden om het afscheid uit te stellen: ‘Kom, ik loop nog een eind met je op’, op pagina 40. ‘Ik breng je wel terug’ op pagina 45. En twee bladzijden verder: ‘Alleen de dood kan ons nog scheiden.’

Wat eerder al, de mannen zitten dan een minuut bij elkaar in de auto, heeft Mulisch – nooit te beroerd om zijn lezers iets uit te leggen – de kern van deze vriendschap weergegeven: ‘Met die paar woorden was een brug geslagen. Max wist zich door Onno doorzien, zoals nooit eerder, net als Onno zich door Max begrepen voelde, omdat zijn agressieve ironie niet op weerstand was gestuit, zoals altijd, maar was opgevangen in een lach die iets onkwetsbaars had.’ Zo gaat het dus, dat bizarre spel van aantrekken en afstoten, de onbreekbare verbondenheid: ‘Als zij niet in het buitenland waren voor hun werk, ging er de volgende maanden geen dag voorbij waarop zij elkaar niet zagen.’

Het is bij herlezing allemaal nog even prachtig, De Ontdekking coupé had het mooiste gelegenheidsboekje van deze Boekenweek kunnen zijn. Maar hoe langer je erover nadenkt, hoe prangender de vraag wordt: is dit wel vriendschap? Is dit niet gewoon liefde? Seksloze liefde, waar wel een kind van komt, de held van het verhaal. Die groeit zonder moeder op, maar met de nature van de één (Max) en de nurture van de ander (Onno).

En als dit geen vriendschap is, wat dan wel? Wat is een boek over vriendschap – en vooral wat niet? Hoe breed is het thema van deze Boekenweek, ‘Vriendschap en andere ongemakken’ eigenlijk? Zijn er wel boeken die niet onder die noemer vallen. Immers: in een beetje roman komen toch wel twee personages voor, die elkaar ook ontmoeten. Vriendschap ligt dan voor de hand en als het niet tot vriendschap leidt, dan toch zeker tot ‘andere ongemakken’. De breedte van het thema was de afgelopen twee maanden goed te zien aan de wijze waarop uitgevers in staat bleken om zo ongeveer hun hele voorjaarsproductie op de een of andere manier aan het thema van de boekenweek te koppelen: Beste vriend van Robert Vuijsje (man zonder vrienden vindt zoon), Oscar van Jan Siebelink (man zoekt naar geheimen van gestorven vriend), De loopjongen van Gerrit Komrij (jonge man haakt wanhopig naar zielsverwantschap), Het boek Ont van Anton Valens (‘Gedeelde post is halve post’), Liefde heeft geen hersens van Mensje van Keulen (vrouw vertrouwt vriendin niet), Niemand in de stad van Philip Huff (zijn corpsballen ook vrienden?) en Blindgangers van Joke Hermsen (langjarige vrienden bevragen zichzelf en elkaar). En dan zijn er nog de vriendengroepromans van vorig jaar (Onder vrienden van PB Gronda, Grip van Stephan Enter)

Op een gegeven moment wordt een thema zo breed dat het geen thema meer is – en eigenlijk is dat ook wel zo prettig. Het bespaart flink op de onvermijdelijke gelegenheidsuitgaven die een Boekenweek met zich meebrengt – alles is beter dan het dierenthema van drie jaar geleden, toen een heel asiel aan kattenboeken leek te zijn losgebroken. Maar als alle romans over vriendschap en andere ongemakken lijken te gaan, moeten we misschien toch wat strenger selecteren.

Pietje Bell, zijn kornuiten Peentje en Engeltje en de andere makkers van roversbende De Zwarte Hand zijn absoluut vrienden – ze staan buiten elke discussie, maar het zijn ook kinderen. Hoe zit het bijvoorbeeld met dat andere groepje, de Titaantjes van Nescio? Zijn zij vrienden of zijn ze alleen maar aardige jongens met een gelijksoortige heilsverwachting? Was het erg dat Japi een uitvreter was, stond dat hun vriendschap in de weg of was dit juist het enige waar het om draaide?

Bij vriendschap in literatuur hoort de constante dreiging van het verlies van die vriendschap. Dat zie je in de schitterende scène aan het begin van Vestdijks Surrogaten voor Murk Tuinstra. Murk staat op het punt Lahringen en zijn boezemvriend Anton Wachter te verlaten als hij op een middag voorstelt met een groepje jongens te gaan ‘balkje trappen’ op de vlotten in de haven. ‘Ik had met jóu afgesproken’ zegt Anton gepikeerd. Murk aarzelt en draait zich weer om; hij blijft bij Anton.

Uiteindelijk draait het om trouw zonder overgave: de verbondenheid hoeft zich niet over het hele leven uit te strekken. In Joe Speedboot, de grote vriendschapsroman van Tommy Wieringa gaat het steeds om wat Joe en Fransje Hermans precies aan elkaar hebben. Ze stuwen elkaar naar grote hoogten, maar verbinden zich niet helemaal met elkaar: uiteindelijk willen ze ook hetzelfde meisje – voor zichzelf.

Onder veel vriendschappen zit de geheime mogelijkheid dat de vrienden elkaar eigenlijk helemaal niet mogen, dat ze zelf soms ook niet helemaal weten waarom ze bevriend zijn. Daarom ook is J.J. Voskuil zo’n door vriendschap geobsedeerde auteur (zoals Elsbeth Etty mooi uiteenzette in haar recensie van De buurman, Boeken, 24.02.2012). Voskuil wantrouwt alles, zijn alter ego Maarten Koning verwacht een bovenmenselijke oprechtheid van de wereld en boekstaaft voortdurend minutieus zijn teleurstellingen. En het is precies in de teleurstelling, of de dreiging daarvan dat vriendschap literair interessant wordt – interessanter dan de heerlijke symbiose uit Mulisch’ De ontdekking van de hemel. Daar is de overgave zo totaal dat het liefde wordt – en dat is een ander verhaal.

Om trouw zonder overgave draait het ook in ‘De berg van Soria’ van A. Alberts, een van de mooiste verhalen ooit in het Nederlands geschreven. ‘Bruno en Luïs waren grote vrienden’, schrijft Alberts. Onderdeel van de vriendschap tussen deze automonteur en een bakker is dat Luïs vaak praat over het huis dat hij een stuk verderop zegt te hebben, op ‘de berg van Soria’. Wanneer Bruno door een reeks toevalligheden Luïs stiekem volgt op weg naar dat mooie huis, blijkt het niet te bestaan. ‘Hij dacht: dat is me ook wat. Dat is nou verdikkeme ook wat.’ Want hij realiseert zich – al legt Alberts dat zijn lezers niet uit – dat zijn jarenlange vriendschap met de ontdekking van het bedrog op springen komt te staan. Hij verstopt zich achter een rotsblok en sluipt terug. Het loopt goed af, maar niet dan nadat Alberts je acht pagina’s gegijzeld heeft in het zinderende ongemak van een man die vreest een vriend te verliezen aan de waarheid.