‘Pianisten gaan helaas steeds gelijkvormiger spelen’

Marco Riaskoff (65) is 25 jaar organisator van de serie Meesterpianisten in het Concertgebouw. „Meester-pianisten moeilijke mensen? Och. Ik zeg liever: bijzondere mensen.”

Impresario Marco Riaskoff in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw Foto Andreas Terlaak

Zelf mag hij ook niet weten wie die ‘mystery guest’ is op zijn jubileumrecital in het Concertgebouw zondag, en wat er door de acht pianisten die zeker langskomen (zie noot) wordt gespeeld. Maar alle andere weken van het jaar is impresario Marco Riaskoff (65) de drijvende kracht achter zijn serie Meesterpianisten. Met pensioen? Nee, dank u.

„Dit werk heeft zoveel met ontvangen en emotie te maken, dat geef je niet zomaar op.”

25 jaar de Serie Meesterpianisten. En het beste concert…

Riaskoff: „...is écht niet te noemen, vraag me dat nou niet. Maar 8 maart 1988 was zeker onvergetelijk. Een recital door de Italiaanse pianiste Maria Tipo (1931). Ze speelde de Goldbergvariaties van Bach zo eerlijk en onopgesmukt. De Grote Zaal voelde aan als een tempel, iedereen was hypergeconcentreerd. Andere concerten die me zijn bijgebleven hadden eenzelfde onaardse intensiteit.

„Het laatste recital van Earl Wild bijvoorbeeld, twee maanden voor hij negentig werd. En het laatste recital van Shura Cherkassky. Hij kon de trappen niet meer af, wist zelf ook wel dat het bijna over was en speelde toen de treurmars uit Chopins Tweede pianosonate. Het ging me door merg en been. Oude musici hebben geen behoefte aan vertoon van virtuositeit. Alleen de muziek telt nog.”

Waar wortelt uw passie voor piano?

„Als kind heb ik wel pianogespeeld, maar ik was beter op de blokfluit. En mijn lievelingsinstrument is gek genoeg de viool. Maar omdat mijn vader verongelukte toen ik op de middelbare school zat, was van verder studeren aan universiteit of conservatorium geen sprake meer. Ik ben werkend in de muziek beland. De piano heb ik zelf al veertig jaar niet meer aangeraakt. Mijn spel zou toch minstens aanvaardbaar moeten zijn. Maar dat vereist studeren, en daarvoor ontbreekt me de tijd.”

Hoe selecteert u pianotalent?

„De grootste talenten worden me vaak gewoon aangeboden. Van Alexander Gavrylyuk (1984) kreeg ik een dvd toegestuurd, net als van Jorge Luis Prats (1956). Beiden speelden zo exceptioneel dat ik ze meteen heb geëngageerd. Zo krijg ik veel cd’s toegestuurd, meer dan ik kan beluisteren. Op een gegeven moment weet je ook wel een beetje wat er omgaat in de pianowereld. Talenten over wie pianisten me vertellen, volg ik extra alert. Arcadi Volodos werd me geadviseerd door Radu Lupu. Azië is een lastig terrein. Honderdduizenden die geweldig spelen, weinigen die tot de noten doordringen.”

Wat maakt een goede pianist tot een Meesterpianist?

„Twee dingen: muzikale kwaliteit en internationale allure. Het gaat om de muzikale boodschap. De techniek, ach, die zijn ze allemaal allang ontstegen. Maar het blijft ook een kwestie van smaak. En soms hoor je een fantastische cd, maar weet je niet: kan iemand dit ook live? Weer iets anders is dat je pianisten soms ook moet beschermen. Een pianist als Hannes Minaar is zeer muzikaal, maar ook erg jong. Dat geldt ook voor de Arthur en Lucas Jussen.

„Niemand wordt door mij te vroeg gelanceerd in een solorecital binnen mijn serie. Er zijn ook grote pianisten die wel bij mij spelen, maar wier carrière elders helemaal niet zo hard loopt. Omdat ze stroef zijn in de omgang, onhandig met dirigenten, niet in staat het spelletje mee te spelen. Iemand als Severin von Eckardstein, een introverte jongen, speelt veel hier, maar op een goed platencontract is het nog altijd wachten. Gelukkig heeft Jaap van Zweden hem net met groot succes in Dallas geïntroduceerd. Dat kan helpen.”

Moeilijke mensen, Meesterpianisten?

„Och, ik spreek liever van bijzondere mensen. Maar die heb je net zo goed onder violisten en zangers. Wanneer je rekening houdt met wat musici drijft en waar ze behoefte aan hebben, valt het met die vermeende ‘moeilijkheid’ erg mee. Met Ivo Pogorelich ben ik zelfs bevriend geraakt. Terwijl ‘Pogo’ gold als legendarisch grillig. Een keer was hij beledigd door een beambte op Schiphol, die hem met zijn Kroatische paspoort en vieze gatenspijkerbroek niet direct had doorgelaten. Pogorelich eiste een verontschuldiging, anders zou hij zo het land weer uitvliegen. Dat was in potentie problematisch, want het Concertgebouw was uitverkocht. Maar de directeur van Schiphol was niet aanwezig voor een excuus. De minister van cultuur dan, opperde Ivo? Die was net demissionair. De koningin? Heb ik maar niet geprobeerd. Ambassadeur? Tsja. Pas toen hij voelde dat ik écht al het mogelijke had gedaan, zei hij: „So, Marco, let’s go.” Toen hebben we pasta gekookt en was alles weer goed.”

Dienstbaarheid en geduld. Dé eigenschappen voor een impresario?

„Ja, een zekere kameleontische eigenschap komt goed van pas. Je kunnen verplaatsen in mensen. En goede oren, anders moet je je altijd verlaten op het oordeel van anderen. Daarnaast: risico durven nemen, want het organiseren van een serie vereist dat altijd. Anderzijds is een zekere zakelijkheid ook een voorwaarde, anders ben je snel weer weg.”

Wat is er in 25 jaar veranderd?

„Aan het publiek ligt het niet: dat is groot, jonger en gedisciplineerder dan ooit. Maar alles eromhéén, nee, dat vind ik niet ten goede ontwikkeld. Elke artiest heeft een website met een openbare agenda. Daardoor weten alle musici precies van elkaar wie waar wanneer speelt. Dat leidt ertoe dat vaak nog zeer jonge artiesten toch zo snel mogelijk willen spelen met de grootste orkesten. Omdat anderen dat ook doen.

„Bouw je een carrière van een van je artiesten liever rustig op, krijg je als agent het verwijt: waarom sta ík daar nog niet? Maar ik ben ouderwets. Rustig aan, alleen zo realiseer je een decenniumlange carrière. Rijpen kost tijd. Maar er zijn artiesten om die reden bij me weggelopen.”

Hoe ziet de serie er over 25 jaar uit?

„Ik geloof in elk geval niet dat Chinese pianisten dan zullen domineren. De grote Russische school sterft wel uit, denk ik. Belangrijke pedagogen overlijden, de musici die zij voortbrachten zijn uitgezwermd en zien het doorgeven van de traditie niet meer als een plicht.

„Pianospel zal daardoor internationaal gelijkvormiger worden. Dat vind ik wel jammer.”

Jubileumconcert 25 jaar Meesterpianisten met Aldo Ciccollini, Severin von Eckardstein, Arthur en Lucas Jussen, Evgeny Kissin, Nikolaj Luganski, Jean-Yves Thibaudet en Alexander Gavrylyuk. Zondag 11/3 Concertgebouw Amsterdam. Aanvang 19.45 uur (uitverkocht).