Ontvrienden doe je zo

De Boekenweek, die woensdag begint, betekent dit jaar tien dagen lezen, horen, denken over vriendschap. Veel vrienden, is dat goed voor een mens? Nee! Maar hoe kom je dan van ze af? Een handleiding door Herman Koch.

Vrienden, een vriendenkring – vanaf de kleuterschool (tegenwoordig al vanaf de crèche) verzamelen wij vrienden en vriendinnen om ons heen. Onderweg vallen er weleens wat vrienden af – door natuurlijk verloop (emigratie, dood), ruzie (‘Die lul hoef ik echt nooit meer te zien!’), of simpele slijtage (ook een vriendschap heeft net als een vaste relatie zijn ‘cycli’: elke elf jaar zijn wij toe aan wat vernieuwing, we bellen de oude vrienden wat minder vaak terug en steken de loftrompet over de nieuwe vrienden, die over het algemeen iets jonger zijn dan wijzelf; en ook iets oppervlakkiger, daarover later misschien meer, maar misschien ook niet) – maar in de regel wordt de verzameling alleen maar groter en groter (zie ook: postzegelverzameling).

Aan het aantal vrienden ontlenen wij een zekere status. Iemand die geen vrienden heeft is zielig, of op zijn minst een zonderling. Vaak wordt die status pas zichtbaar na je dood: aan het aantal overlijdensadvertenties in de krant, of de waslijst in elke afzonderlijke advertentie: ...zal nooit meer hetzelfde zijn […] Al je vrienden van zaterdagmiddag-badminton. Dan hebben we nog de begrafenisstoet (‘een kleine vierduizend vrienden namen vanmiddag afscheid van…’), maar in de koffiekamer wordt er door al die vrienden alweer gelachen en over de komende vakantie gepraat.

Wie niet tot zijn dood wil wachten, viert elk jaar zijn verjaardag. Het is statistisch bewezen dat mensen vaak kort na hun verjaardag overlijden. Sommige mensen leven letterlijk naar hun verjaardag toe. Ze verheugen zich op de dag waarop ze, in elk geval één keer per jaar, tot in de kleine uurtjes het middelpunt zullen zijn. Kreunend laden ze de kratten bier en de dozen niet al te dure wijn achterin de auto, ze huren een partytent voor als het regent, op de hapjestafel liggen houten plankjes met brie, gorgonzola en een bijzondere, naar uitgebrande gymzaal ruikende schapenkaas uit Baskenland – maar opeens komt er bijna niemand meer. ‘Wat raar,’ zegt de jarige. ‘Ik had Rob vanmiddag nog aan de telefoon, en toen zei hij dat hij zeker zou komen.’ Misschien ligt het aan het weer – te warm, te koud, regen/geen regen – maar meestal overlijdt dit type jarige nog vóór middernacht.

Is het eigenlijk wel goed voor je, al die vrienden? Die vraag wordt veel te weinig gesteld. Net zoals de verzamelaar die na jaren de hele postzegelverzameling op marktplaats.nl zet (beter nog is hem in brand te steken), zou het een enorme opluchting kunnen zijn: minder vrienden. Zoals een goede vriend het altijd tegen me zegt: ‘Zo, die kan ook weer worden doorgestreept op de verjaardagskalender.’

Vrienden bellen je op of je volgende week wilt komen eten. Je bladert in een denkbeeldige agenda en zegt dat volgende week en de week daarna al helemaal vol zitten; eind van de maand ga je ook nog eens veertien dagen naar dat Canarische Eiland. ‘Het kleinste,’ zeg je om geloofwaardig over te komen. ‘Waar zoveel vulkanische activiteit is.’

‘We moeten vaker afspreken,’ zegt die heel oude vriend die je nog met een schepje op zijn hoofd hebt geslagen in de zandbak van de peuterspeelzaal – maar niet hard genoeg, bedenk je nu met spijt. ‘Mijn nieuwe vriendin wil je ook graag een keer zien.’

Ik had gehoopt een verhaal te schrijven waar het woord ‘Facebook’ niet één keer in voorkomt, maar dat is een ijdele hoop in 2012. Waar ik zelf vooral moe van word dat zijn de mensen die elke keer opnieuw dezelfde deur opentrappen: dat al die virtuele vrienden natuurlijk geen echte vrienden zijn. Het doet me altijd denken aan die Nederlandse schrijver die beweerde dat de elektrisch versterkte gitaar was uitgevonden om het gebrek aan talent van de gitaarspeler te verhullen. Wat al die klokkenluiders over Facebook beweren is in feite namelijk niets anders dan dat al die vrienden van vlees en bloed wél echte vrienden zouden zijn.

Eén nieuw woord hebben wij in elk geval aan Mark Zuckerberg te danken (een nieuw woord dat bij mijn weten nog niet tot de Van Dale is doorgedrongen, maar daar zo snel mogelijk met trompetgeschal in zou moeten worden verwelkomd), en dat is ‘ontvrienden’. Virtueel ontvrienden kan met één klik van de muis, maar hoe ontvriend je vrienden van vlees en bloed?

‘Hoe bedoel je, elkaar een tijdje niet meer zien?’ Dat zei vroeger de (tijdelijke) vriendin aan de andere kant van de lijn, omdat je te laf was het in een café of andere openbare ruimte uit te maken – hoe dan ook een openbare ruimte waar zij hooguit zachtjes zou durven te gaan huilen en in elk geval geen scène zou trappen.

Omgekeerd heeft zo’n tijdelijke vriendin het weleens met mij uitgemaakt door te zeggen dat ik ‘zelf zeker ook wel begreep waarom het zo niet langer door kon gaan’. Ik begreep er niets van – tot op de dag van vandaag niet, maar dat schijnt iets typisch mannelijks te zijn.

Lang geleden schijnen er nog briefjes te zijn geschreven met de aan duidelijkheid niets te wensen overlatende tekst ‘Ik wil je nooit meer zien’, maar vandaag de dag, met de email waar vaak al binnen twintig minuten een antwoord op komt (‘Hoezo, nooit meer? Zeg nooit “nooit”.’), is duidelijkheid niet langer een optie.

Begin met subtiele signalen, en als subtiliteit niet helpt, schroef dan de botheid in de signalen geleidelijk op. Vroeger werd ik bijvoorbeeld door vrienden gebeld die al een tijd in de veronderstelling verkeerden dat ik boos op ze was, omdat ik al zo lang niets had laten horen. ‘Boos? Hoezo boos?’ zei ik, terwijl ik voelde hoe een oude wond opnieuw begon te bloeden. ‘Waarom zou ik in godsnaam boos op je zijn?’

Vandaag de dag laat ik eerst een stilte vallen. Daarna zeg ik: ‘Ach, boos is een groot woord, maar ik moet nu ophangen, want er wordt net aan de deur gebeld.’ Daarna haal ik de verjaardagskalender van de binnenkant van de wc-deur en zet een streep door de betreffende naam. De oude wond is een paar dagen later genezen.

Xerxophanes IV, die in de derde eeuw voor Christus in het Tweestromenland tussen Eufraat en Tigris heerste, had op zekere dag het gevoel dat hij niet meer wist wie zijn echte vrienden waren. Wilden ze alleen maar met hem bevriend zijn omdat hij nou eenmaal de sultan was? Deden ze de hele tijd zo slijmerig en onderdanig omdat op zijn feestjes altijd de leukste en de mooiste vrouwen kwamen? Zouden ze kortom ook met hem bevriend zijn wanneer hij schapen verhandelde op de markt van Persepolis?

Xerxophanes besloot de proef op de som te nemen. Hij verkleedde zich als blinde bedelaar, en mengde zich onder zijn ‘vrienden’ in een trendy taveerne in de oude stad. Toen hoorde hij pas hoe ze over hem praatten als hij er niet bij was. De volgende dag riep hij zijn hele ‘vriendenkring’ in het paleis bijeen. Hij liet ze allemaal onthoofden – en terecht.

Tot slot een verhaal uit de praktijk. Jarenlang was ik bevriend met R. R. behoorde tot de categorie zachte-heelmeesters-maken-stinkende-wonden-vrienden. Meestal belde híj. Ik wachtte lang met terugbellen. De denkbeeldige agenda had ik van tevoren klaargelegd. Ik bladerde en bladerde, maar vond nergens een gaatje. ‘Dat weekend zijn we weg,’ zei ik. ‘En het weekend daarop hebben we nu nog niks, maar dat is dan ook het enige weekend dat we nog niks hebben. Misschien moeten we tegen die tijd nog een keer bellen.’

R. vertrouwde het niet – en terecht. De vrijdag voor het bewuste ‘enige weekend waarop we nog niks hadden’ verborg hij zich tussen twee geparkeerde auto’s voor mijn deur.

‘Zo!’ confronteerde hij ons, toen we thuiskwamen van een wel echt gezellig etentje met zijn tweeën. ‘Zo ga jij dus met je vrienden om!’

Het ging daarna alleen maar van kwaad tot erger. R. verstopte zich niet langer tussen de geparkeerde auto’s, maar in een kast in de slaapkamer bij ons thuis. ‘Jullie hebben niets!’ riep hij, terwijl hij op het voeteneind van ons bed sprong. ‘Niets, niets, niets! Met zulke leugenaars wil ik niet langer bevriend zijn!’

We dachten dat we het nu gehad hadden, dat het nu wel duidelijk was dat we de vriendschap met R. langzaam wilden afbouwen, maar niets bleek minder waar. Als de dag van gisteren herinner ik me de ochtend waarop de postbode de presentie-exemplaren van mijn laatste roman niet door de bus kon krijgen en aanbelde.

Het was een postbode met een snor. ‘R.?’ zei ik ongelovig, maar door schade en schande wijs geworden. De postbode schreeuwde toen ik de snor van zijn gezicht probeerde te trekken. Binnen maakte ik het pakje open, en daar lag R. Hij had zich heel klein gehouden, als een slak. Over de exemplaren van mijn nieuwe roman liepen slijmsporen.

Twee weken later ging ik bijna op R. zitten in het restaurant waar ik zeker wist dat niemand ervan op de hoogte was dat wij daar weleens kwamen. ‘Jij voelt je inmiddels te goed voor mij, hè?’ schreeuwde hij. Daarna begon hij te huilen, waarmee hij het halve restaurant op zijn hand kreeg, en wij uiteindelijk moesten vertrekken.

Die keer op de A2 was de druppel. R. had zich onder het rempedaal verstopt waardoor ik werd gedwongen om steeds harder te gaan rijden. Ik drukte de claxon in en scheurde zo goed en zo kwaad tussen de andere weggebruikers door. Verschillende automobilisten staken hun middelvinger naar mij op. ‘Nu zien ze allemaal wat een hufter je bent!’ schreeuwde R. vanonder het rempedaal. ‘De rest van de mensen van de weg drukken, en mij ook nog eens proberen te verpletteren onder je rempedaal!’

Ik dacht dat het een nachtmerrie was waaruit ik uiteindelijk badend in het zweet wakker zou worden – hetzelfde soort nachtmerrie waarin je weer eindexamen moet doen, maar waarin je, nog altijd binnen de nachtmerrie, besluit dat je het eindexamen destijds beter ook al had kunnen laten schieten.

Op een ochtend explodeerde R. in mijn handen. Hoe hij het geflikt had, weet ik niet, maar ik was gewoon een paar sinaasappels aan het uitpersen. Resten R. zaten tegen het plafond en in mijn gezicht.

‘Dat zal je leren je oude vrienden te vergeten,’ druppelde hij nog na.

Sinds die ochtend kijk ik voordat ik ga slapen altijd onder mijn bed – net als vijftig jaar geleden – en onder mijn kussen.

Ik heb je hier R. genoemd, R. Maar jij hebt jezelf natuurlijk al lang herkend. Eigenlijk had ik je destijds al moeten onthoofden, maar als je het nog één keer probeert, vertel ik aan iedereen hoe je heet.