Muzelman is veroveraar

Mohammed trekt naar Mekka met volgelingen, ca. 1550 Uit ‘Islam. Kunst en architectuur’, Könemann

Tom Holland, Het vierde beest: God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid. Vert. Boukje Verheij. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 432 blz. € 29,95

De islam is niet alleen een onderwerp dat in Nederland de gemoederen steeds weer verhit, ze is ook een historisch verschijnsel als alle andere. Na twee succesvolle boeken over de Griekse en Romeinse oudheid richt de Britse historicus Tom Holland zich nu op het ontstaan van de islam in de 7de eeuw. Die ontwikkeling is van wereldhistorisch belang: de vestiging van monotheïstische staatsgodsdiensten door met name christenen en moslims beschouwt hij als een revolutionaire gebeurtenis.

De opkomst van de islam kan volgens hem alleen goed worden begrepen tegen haar laat-antieke achtergrond. Een plausibel uitgangspunt. Het kalifaat dat de moslims in de 7de eeuw hebben gevestigd was volgens Holland niet alleen het eerste islamitische rijk, maar ook ‘het laatste, definitieve en meest bestendige rijk van de oudheid’. Zodoende gaat het grootste deel van Het vierde beest (The Shadow of the Sword) over de rivaliteiten tussen de twee grootmachten van de late oudheid, het christelijke Byzantijnse of Oost-Romeinse Rijk en het zoroastriaanse Perzische Sassaniedenrijk, en over de veranderende status van joden, christenen en zoroastrianen daarin. Het laatste deel gaat vooral over het ontstaan van de islam tegen deze laat-antieke politieke en religieuze achtergrond. Nieuw is die benadering niet, maar voor een groter publiek kan het beroep dat islamitische heersers op voorislamitische tradities deden verrassend zijn.

Over het leven van Mohammed en het ontstaan van de islam zijn meer bronnen beschikbaar dan over het vroege christendom. Aan die bronnen kleeft echter een bezwaar voor historici: de vroegste ervan dateren van de 9de eeuw, dus van een volle tweehonderd jaar na de gebeurtenissen die ze beschrijven. Die stilte van twee eeuwen heeft bij islamologen tot sceptische vragen geleid. Vooral de Brit John Wansbrough betoogde dat niet alleen de levensbeschrijvingen van Mohammed en de hadiths of verzamelingen berichten over diens woorden en daden, maar ook de definitieve korantekst, pas in de 8de en 9de eeuw zijn ontstaan.

Bloed en magie

Holland probeert, deels geïnspireerd door Wansbrough, iets zichtbaar te maken van de vragen die rijzen wanneer je de koran leest met de kritische blik van een historicus. Dat leidt tot spannende, maar vaak ook speculatieve resultaten. Zijn pogingen om de woorden of de historische verwijzing van specifieke passages uit de koran te achterhalen klinken op hun best aannemelijk, maar vaker nogal vergezocht.

Ook blijft onduidelijk in hoeverre Holland probeert de religieuze boodschap van Mohammeds openbaringen te herleiden tot de historische gebeurtenissen, en in hoeverre de geschiedenis die hijzelf schrijft door religieuze voorstellingen wordt bepaald. Hij bepleit de noodzaak van een historiserende lezing van de korantekst, maar overdrijft de moeilijkheden en gevaren die zo’n onderneming met zich meebrengt. Daarmee lijkt hij een knieval te maken voor dat deel van het lezerspubliek dat pleegt te smullen van verhalen over hoe gewelddadig en intolerant de islam wel niet zou zijn.

Het vierde beest waarvan de titel gewag maakt is het door de oudtestamentische profeet Daniël voorspelde vierde koninkrijk, dat ‘de hele aarde zal verslinden, vertrappen en vermorzelen’. Daarmee is de toon gezet. Holland beschrijft het voor-islamitische Mekka als een ‘griezelige stad, doordrenkt van bloed en magie,’ en geteisterd door ‘een hele meute angstaanjagende goden’.

Zulke retoriek staat haaks op de pretentie nuchtere kritische geschiedschrijving te bedrijven. Kleine foutjes neem je dan nog voor lief: zo verwart Holland Hashem met Ibn (‘de zoon van’) Hashem, en gelooft hij dat er in voor-islamitisch Mekka geen joden of christenen leefden. Erger wordt het wanneer hij kritiekloos de mythe herhaalt dat de klassieke sjaria ‘raakte aan elk denkbaar facet van het menselijke bestaan en niets aan het eigen inzicht of het toeval overliet’. De sjaria is nooit zo’n totalitaire ideologie geweest, alleen al omdat ze grote delen van de rechtspraak onaangeroerd laat.

Ronduit onzinnig wordt het wanneer Holland ons wil laten geloven dat het ‘zeshonderd jaren van bittere en bloedige strijd’ zou hebben gekost voor de islamitische schriftgeleerden het erover eens werden dat de koran niet geschapen was. De discussies over de geschapenheid van de koran werden al veel sneller beslecht, en grotendeels zonder de bloedige strijd waar Holland in zijn enthousiasme gewag van maakt.

Hollands voorkeur voor het beschrijven van veldslagen, veroveringen en wreedheden is typerend voor de populariserende geschiedschrijving. In geuren en kleuren beschrijft hij hoe een afgezette Perzische koning blind wordt gemaakt met brandende olijfolie; hoe de nieuwe islamitische dynastie van de Abbasieden een banket aanricht bovenop de lijken of nog in doodsnood reutelende lichamen van hun tegenstanders.

Feiten

Nauwelijks stelt hij kritische vragen bij de bronnen van zulke nieuwtjes, ook niet als die duidelijk politiek of religieus partijdig zijn. Zo beschrijft hij het als een ‘vaststaand feit’ dat een Perzische koning in een veldslag was omgekomen omdat hij was verlaten door zijn ‘farr’, ofwel het bovennatuurlijke charisma dat de Perzen hun legitieme vorsten toedichtten. Maar zulke religieuze voorstellingen, zo betoogde Holland zelf ten aanzien van de islam, kun je juist niet als ‘vaststaande feiten’ aannemen. Of moeten we concluderen dat Holland zelf een aanhanger van de oud-Iraanse godsdienst is?

Zo hinkt Het vierde beest op twee gedachten. Te vaak wordt Hollands poging tot een kritische en seculiere lezing van de vroege islamitische geschiedenis doorkruist door zijn onkritische gebruik van partijdige religieuze bronnen. Als politieke geschiedenis biedt het weinig nieuws, en als religieuze geschiedenis overtuigt het niet.