Met God op een bergpas

Uitsnede van De Kruisdraging (1564), 124 bij 170 cm, onderwerp van een nieuwe film met Rutger Hauer in de rol van Pieter Bruegel de Oude

Manfred Sellink: Bruegel. Het volledige werk. Ludion, 304 blz. €49,50

Bouwfraude, obesitas en graaizucht. Actuele fenomenen zult u zeggen, maar dat is een vergissing. Kijk naar de ruim 400 jaar oude tekeningen en schilderijen van Pieter Bruegel de Oude (ca. 1527-1569), en je komt dezelfde kwalen tegen. Toen er halverwege de 16de eeuw Antwerpse stadswallen werden opgetrokken, sneeuwde het steekpenningen. Niet dat Bruegel de boeven toen karikaturaal portretteerde, hij tekende juist diegenen die er de dupe van waren; zijn schaatsende stadsgenoten op de grachten om de wallen heen. En als het om vreet- en graaizucht gaat, sla dan zijn tekeningen en gravures maar eens op uit de ‘De zeven hoofdzonden’. Elk menselijk tekort komt erin aan de orde, en in zulke drukbevolkte scènes dat je er onwillekeurig het lawaai zelf bij verzint.

Het hele oeuvre van zo’n 170 tekeningen, gravures en schilderijen is in Bruegel zorgvuldig gereproduceerd en puntig beschreven door kunsthistoricus Manfred Sellink, directeur van de Brugse musea. Hij ontdekte in 2010 in het Prado in Madrid een ‘nieuwe’ Bruegel de Oude, Het Sint Maartensfeest (1566-’67). Zijn boek verscheen al eerder in het Engels, maar nu dus in een Nederlandse versie omdat de Belgische uitgever Ludion 20 jaar bestaat. Een lastig karwei trouwens zo’n catalogue raisonné, want over de kunstenaar zelf is heel weinig bekend en veel werk ging verloren.

Tegenover de zonden en ondeugden van Bruegel, die als ‘publicitaire’ kopergravures door Europa reisden, staan de Alpentekeningen waar zijn carrière mee begon. Geen enkel kunsthistorisch A4’tje biedt zulke verre vergezichten, geconstrueerd uit inktstippen, krabbeltjes, tastend lijnwerk. Altijd gedacht dat de jonge Bruegel op weg naar Italië – nieuwsgierig naar zijn renaissance-collega’s en naar resten van de klassieke oudheid – steeds even rust hield op een bergpas om daar met een ‘Ere zij God’ in het achterhoofd de stille grootsheid van bergmassieven vast te leggen. Maar dat is een illusie, aldus Sellink, de echte Alpen-schetsen, gemaakt met fijne pen en bruine inkt, zijn er niet meer, en wat er nog wél is, is thuis uitgewerkt, in Antwerpen, op basis van die verloren studies, en later geëtst of gegraveerd.

Vermoedelijk werd Bruegel behalve tot tekenaar-schilder ook opgeleid tot miniaturist. Dat oog voor precisie, ontwikkeld tijdens de lessen van zijn schoonmoeder, is af te lezen aan zijn gehele oeuvre, en vooral aan de bladen die hij maakte naar de toen al beroemde Jeroen Bosch (ca. 1450-1516). Vergeet de recente tv-beelden van monsterachtige vissen uit de diepste diepten van oceanen. Bruegel, bijgenaamd Pier den Drol, tart je verbeelding met zijn nog vreemdere ‘spoockerijen en drollen’ (grappen). Hij waande zich een Schepper, een man die op z’n minst de hel van Bosch evenaarde. En dat lukte wonderwel; halfmensen en halfdieren doen in Bruegels uitzinnige fantasie elkaar de bizarste vleselijk- en vreselijkheden aan.

Pas in zijn laatste tien levensjaren slaat Breugel aan het schilderen. Hij werd die kunst natuurlijk niet in een handomdraai machtig, maar over de aanloop naar zijn meesterschap weten we weinig. Ineens levert hij bijvoorbeeld een gaaf en dromerig landschap met zaaier (1557) af. En dat onthult meteen hoe graag en hoe goed hij spiekte bij de Zuid-Nederlander Joachim Patinir (ca. 1480-1524), schilder van onwereldse landschappen in blauwige mist.

Bruegels schilderijenproductie loopt al snel als gesmeerd: De triomf van de dood, De gulle griet en De zelfmoord van Saul, het zijn massaal bevolkte taferelen vol drama waarbij de toeschouwer van toen, met zijn slow motion -blik, ogen te kort kwam. Vorsten, geleerden en kardinalen hunkerden naar een ‘eigen’ Bruegel – ze waren nauwelijks aan te slepen. Werk aan de winkel dus voor zijn oudste zoon Pieter, vijf jaar bij zijn vaders dood, die later tientallen kopieën van de schilderijen zou maken.

Terwijl de Beeldenstorm om zich heen greep en de hardhandige generaal Alva in opdracht van de Spaanse Filips II optrok naar Brussel, waar de ‘oude’ Bruegel inmiddels woonde, kwamen de drie geestige, feestige schilderijen tot stand die de onslijtbare bijnaam ‘Boerenbruegel’ opleverden: De boerenbruiloftsdans, Het bruiloftsmaal en De dorpskermis. Er wordt en masse gedanst, geschranst en genoten dat het een aard heeft. En, zoals Sellink schrijft, je hoeft als toeschouwer schijnbaar maar een paar stappen te doen om aan te schuiven. Sfeer genoeg dus op die feesten – daar niet van – maar toch maak ik mezelf wijs dat vooral het bivakkeren in de Alpen voor Bruegel van cruciaal belang is geweest. Hoe vaak keren op zijn schilderijen de grimmige bergflanken en rotsige horizon niet terug? Ook de miniaturist in hem ging nooit verloren. Het schilderij De kruisdraging (1564) is er het bewijs van: Jezus, een minuscuul mannetje (zie links), bezwijkt onder zijn kruis, te midden van rellerig volk, dat bij bosjes de berg Golgotha bestormt om op tijd een goeie plek te bemachtigen. Altijd gedacht dat er geen special effects bestaan om schilderkunstige schouwspelen als deze, opgediend tegen een groots arcadisch decor, op film vast te leggen. Maar nu schijnt de Poolse schrijver, regisseur en beeldend kunstenaar Lech Majewski met The Mill and the Cross, net in première, daar wél in te zijn geslaagd.

Het boek komt dus mooi op tijd én in het Nederlands. Sellink gebruikt weliswaar weinig jargon, maar de beschrijving van alle 170 werken, de onderlinge verwijzingen en de iconografische interpretaties luisteren nauw. Dat Bruegel een hoogontwikkelde humanist was, die met de intellectuelen van zijn tijd de degens kruiste, verwijst Sellink naar de prullenbak. Hij prijst diens vitaliteit, verbeelding, humor en vooral zijn kunst mensen waar te nemen en vast te leggen. Dat laatste deed hij inderdaad zó eigen en zó frappant dat je vier eeuwen later op straat nog steeds zo’n typische Bruegeliaanse kop kan tegenkomen. Beetje boertig, blijmoedig en schilderachtig.