Jong, arm en verliefd talent

Samen met Robert Mapplethorpe begon Patti Smith eind jaren zestig in een desolaat New York aan een carrière in de kunst. Ze schreef een ontroerend boek over hun vriendschap.

Patti Smith: Just Kids. De Geus. Vertaling Kathleen Rutten, 349 blz. €19,90

Just Kids heet het eerste prozaboek dat zangeres/dichteres/kunstenares Patti Smith heeft geschreven over haar jonge jaren, toen ze verhuisde van een dorp in New Jersey naar New York en daar Robert Mapplethorpe ontmoette. Met Mapplethorpe, die later een wereldberoemd fotograaf zou worden en in 1989 op 42-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van aids, onderhield ze eerst een liefde en later een levenslange vriendschap. Ze woonden samen in Brooklyn, tekenden nachtenlang en behingen de muren met elkaars beeltenissen en zelfportretten.

Ze waren jong en arm. Dagelijks werd een muntje opgegooid: brood kopen of schildersbenodigdheden. Als brood aan de beurt was, pleegde Smith kleine diefstallen, zoals kwasten en puntenslijpers. Ze lazen Jean Genet en Rimbaud, luisterden naar Coltrane, Hendrix en The Stones en kleedden zich anders dan de hippies van die tijd: hij in matrozenpak, zij in existentialistisch zwart. Op een dag worden ze op straat gefotografeerd door een ouder echtpaar. ‘Volgens mij zijn het kunstenaars’, zegt de vrouw. ‘Ach nee’, zegt de man. ‘They’re just kids.’

Smith heeft veel lof gekregen voor haar boek, en kreeg er de National Book Award voor non-fictie voor. De bijval zal niet op haar schrijfstijl slaan. Die is direct en doeltreffend maar mist de flair die je op basis van haar gedichten zou verwachten. Just Kids is aansprekend om andere redenen. In de eerste plaats omdat het een beeld geeft van de bruisende periode van eind jaren zestig, begin zeventig, de hoogtijdagen van Leonard Cohen, Charles Bukowski en William Burroughs.

Het boek beschrijft bovendien het destijds haveloze New York dat berooide kunstenaars nog mogelijkheden bood: er waren genoeg leegstaande panden en lage huren om een woning of podium in te maken. Net als veel andere bekendheden, woonden ook Patti en Robert een tijdje in het Chelsea Hotel, waar je een kamer kon huren in ruil voor een kunstwerk, totdat ze uitweken naar een belendend leegstaand gebouw. Dat op die riante etage geen douche of wc was, werd opgelost door via het raam naar kennissen in het Chelsea te klimmen.

Heel mooi en ook ontroerend aan Smiths boek is het accent op de tijd dat Mapplethorpe en zij nog ‘kids’ waren. Ze heeft het niet over de jaren met haar internationale succesband The Patti Smith Group, of over haar huwelijk met de in 1994 overleden muzikant Fred ‘Sonic’ Smith. Ze beperkt zich tot de prehistorie van haar kunstenaar-zijn. Dat onderscheidt het boek van veel andere (auto-)biografieën van kunstenaars, bij wie het doel meestal al vaststaat of líjkt te staan. Smith maakt ons deelgenoot van een onzekere periode. Onzeker door geldgebrek, verhuizingen en Mapplethorpe’s zoektocht naar zijn seksuele identiteit, maar ook door de twijfel over de eigen toekomst. Ze droomden van een carrière in de kunst, maar wisten niet hoe die eruit moest zien. Dichten, films maken, schilderen? Ze waren eindeloos aan het experimenteren met wat er maar voor handen was. En het was niet altijd makkelijk: veel ellendige baantjes voor weinig geld. Veel verdriet (Patti) over het kind dat ze op haar negentiende had afgestaan, en frustratie (Robert) over het creatieve proces. Slapen in goedkope pensions, op kussens vol luizen, tussen raaskallende junkies en hoeren.

Ondertussen waren ze elkaars muze en slijpsteen: zij was het eerste model voor zijn foto’s, hij luisterde naar de cadans van haar gedichten. De scheppingsdrift wordt uiteindelijk gekanaliseerd: bij Mapplethorpe als direct gevolg van zijn nieuw ontdekte homoseksualiteit die hem langs homobars en sm-clubs voerde, wat een onderwerp van zijn roemruchte fotografie zou worden. Smiths toekomst bleek in de muziek te liggen.

Omstreeks 1970 waren beiden nog vol ontzag voor de oudere generatie kunstenaars, zoals de kring rondom Andy Warhol. Avonden lang zaten ze aan de bar, vóórin de hippe club Max Kansas City, voordat ze uiteindelijk naar de achterkamer durfden waar de ‘echte’ kunstenaars zaten. Daar ontmoetten ze toen dichter en Warhol-assistent Gerard Malanga die Smiths eerste optreden met begeleiding van een gitarist zou organiseren, en daarmee de kiem legde voor haar muzikale carrière.

Het boek gaat over de verbondenheid tussen Smith en Mapplethorpe, die voortduurt ook als ze later met een ander trouwt en kinderen krijgt. Onsentimenteel beschrijft Smith hoe ze na zijn dood zijn overblijfselen (as en botjes) in haar hand houdt, en even later een gedicht voor hem schrijft. Just Kids is het verhaal van hun vriendschap, dat ze hem op zijn sterfbed beloofde. Zo blijkt de inspiratie die ze elkaar eind jaren zestig gaven, nog altijd actief.

Liefdevol memoreert Smith een ontmoeting, eind jaren zeventig, toen ze haar eerste succes had als popmuzikant. Met een mengeling van trots en jaloezie zei hij: ‘Liefje, je hebt het eerder gemaakt dan ik.’