'Je mist nog den noodigen takt'

Vriendschappen tussen schrijvers zijn pas interessant als ze om literatuur draaien. Kloos fileerde Verwey: ‘Dat je pedant bent, neem ik je niet kwalijk.’

Robert B. Silver (sam.): The company they kept. Writers on Unforgettable friendships. Vol. II. New York Review of Books, 222 blz. € 19,-

Piet Calis: Literaire vriendschappen en andere misverstanden. Meulenhoff, 424 blz. € 15,-

‘Vriendschap en andere ongemakken’ is dit jaar het thema van de Boekenweek en daarmee worden uiteraard literaire vriendschappen bedoeld. Zo niet, dan is het onderwerp dermate weids dat het net zo goed over ‘Leven en andere ongemakken’ had kunnen gaan. De beroemdste vriendschap uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis is waarschijnlijk die tussen de dichters Albert Verwey en Willem Kloos. Verwey wijdde daaraan de gedichtenreeks ‘Van de liefde die vriendschap heet’, wat geldt als een eufemisme voor een homoseksuele relatie. Maar je kunt die beroemde titel ook anders uitleggen. Hun beider liefde gold de literatuur en hun vriendschap was gestoeld op de overtuiging dat die liefde er alles, maar dan ook alles toe deed.

Vrijwel alle vriendschaps- en liefdesrelaties tussen schrijvers zijn interessant. Er zijn er legio, nationaal en internationaal, van Betje Wolff en Aagje Deken tot Rimbaud en Verlaine, van Hein Donner en Harry Mulisch tot Virginia Woolf en Vita Sackville-West. Vaak leveren zulke vriendschappen onsterfelijke literatuur op en mooie correspondenties.

Literaire vriendschappen, zoals tussen Kloos en Verwey, overstijgen de persoonlijke sfeer, omdat de literatuur zelf er de inzet van is. Bij zulke vriendschappen – denk aan Menno ter Braak en Eddy du Perron, aan de Britse Bloomsbury Groep, aan ‘de famille’ rond Jean- Paul Sartre en Simone de Beauvoir en aan de Nederlandse Vijftigers – staat meer op het spel. Er moet een wereld te winnen zijn, alhoewel die inzet misschien pas gaandeweg of achteraf zichtbaar wordt.

De wereld, in de zin van maatschappelijke verhoudingen of politiek, was wel het laatste waar de 23-jarige Willem Kloos en de zes jaar jongere Albert Verwey zich mee bezighielden, toen ze elkaar op instigatie van Verweys leraar Nederlands in 1882 voor het eerst ontmoetten. Alles draaide om literatuur. Kloos werd de mentor die zijn pupil coachte bij diens eerste stappen op het publicitaire pad. Een recensie van de 17-jarige Verwey in De Amsterdammer over de gedichten van Fiore della Neve (1849-1934) fileerde hij regel voor regel. ‘Je geheele stuk en de toon ervan is pedant in den hoogste graad, en dat is dom. Dat je pedant bent, neem ik je niet kwalijk, maar dat je ’t laat merken aan het publiek. […] Je mist nog den noodigen takt.’

De Nieuwe Gids

Zo correspondeerden ze ook over elkaars poëzie en over de vraag welke kant het met de literatuur op moest. Die literaire bezetenheid resulteerde 1885 in de oprichting van De Nieuwe Gids, dat een platform bood aan weer andere vrienden, dichters, essayisten, schilders en musici met vernieuwende ideeën. De Beweging van Tachtig, zoals de kring rondom De Nieuwe Gids de geschiedenis inging, begon als een clubje Amsterdamse studenten en kunstenaars, geboren omstreeks 1860, dat zich het literaire genootschap Flanor noemde. Hun blad ontwikkelde zich snel tot één van de invloedrijkste literaire en culturele tijdschriften. Na vier jaar kon Kloos noteren: ‘Het zwaartepunt der hollandsche literatuur is verplaatst. Ja, drie jaren lang was er revolutie in dit land. Revolutie in denken en verbeelden en voelen, revolutie in kritiek, in romans en in verzen’.

Literaire vriendschappen die dergelijke – uiteraard ook door andere factoren beïnvloede – revoltes teweegbrengen, spreken het meest tot de verbeelding. Menno ter Braak en Eddy du Perron woelden in de jaren dertig met hun op persoonlijke smaak en stellingnamen gefocuste literaire tijdschrift Forum het culturele leven om. Voor het ontketenen van een revolutie in denken, verbeelden en voelen kregen ze de tijd niet. Wel vertaalden ze hun literaire principes, toen het erop aan kwam wegens de dreiging van het fascisme, in politiek engagement. Hun persoonlijk essayistiek en literaire kritiek, waarover ze elkaar per brief bevroegen en ter verantwoording riepen, is tot ver na hun dood in 1940 een morele standaard gebleven.

Ook de literaire vernieuwing van na de Tweede Wereldoorlog oorlog is geboren uit vriendschappen en daaruit voortgekomen tijdschriften, zoals Braak van Rudy Kousbroek en Remco Campert. In 1950 namen deze twee schoolvrienden contact op met de iets oudere dichters Lucebert en Bert Schierbeek, wat het startpunt was de Vijftigers: de groep experimentele dichters (en schilders) die na de Tweede Wereldoorlog in opstand kwam tegen de restauratie van vermolmde vooroorlogse verhoudingen. ‘Ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af’, schreef Lucebert in 1952.

Hoe die revolutie werd ontketend is al vele malen beschreven en wordt ook weer aangehaald door Piet Calis in zijn bundel Literaire vriendschappen en andere misverstanden. Als redacteur van diverse tijdschriften heeft hij sinds de late jaren vijftig schrijvers geïnterviewd. Veel vrienden heeft hij daar zelf niet aan overgehouden, maar zijn opgetekende anekdotes over schrijversvriendschappen zijn er niet minder smakelijk om.

Twee gozers

Over de eerste ontmoeting van de latere Vijftigers in Café Eylders aan het Amsterdamse Leidsplein vertelde Schierbeek hem: „Lucebert woonde in die tijd bij mij in huis. Hij zei op een gegeven moment: ‘Moet je luisteren: er zijn twee van die gozers die willen met ons praten’. We wisten toen nog niets van ze af. […]. Er is een enorme vriendschap uit ontstaan.” Weinig ‘enorme vriendschappen’ hebben zo’n impact gehad, hoe vaak ook geprobeerd is ze te imiteren. Alleen een gedeelde liefde voor een literatuur die er naar de rotsvaste overtuiging van een groep geestverwanten toe doet, kan enig effect sorteren.

Het belang van vriendschappen voor de literatuur kan onschatbaar zijn. Schitterende voorbeelden om dit te illustreren, zijn te vinden in The Company they kept, Writers on Unforgettable friendships met biografische schetsen uit The New York Review of Books over schrijvers door bevriende collega’s. De bijdragen van Anna Achmatova over Osip Mandelstam, Joseph Brodsky over Nadezjda Mandelstam, en Elena Bonner over Andrei Sacharov laten zien welke inzet deze schrijvers vriendschappen hadden. Niets minder dan de taal zelf, hun enige wapen tegen de dictatuur.

Geheel anders, veel vrijblijvender, waren de in The Company they kept beschreven betrekkingen in de kring van Amerikaanse schrijversvrienden rondom Robert Lowell en zijn vrouw Elisabeth Hardwick, onder wie Mary McCarthy, Hannah Arendt, Elisabeth Bishop, John Berryman. Dat waren in de meeste gevallen geen literaire vriendschappen. De definitie van een niet-literaire schrijversvriendschap staat in Mary McCarthy’s bijdrage over Hanna Arendt: ‘Als je iets geschreven had dat zij slecht vond, was haar politiek om er niet op te zinspelen – een vaststaande manier van doen waarmee ze je luider dan met woorden duidelijk maakte wat ze dacht.’

Maar diezelfde los-vaste Amerikaanse schrijversvriendschappen hebben wel iets blijvends voortgebracht. In zijn herinnering aan Elisabeth Hardwick, die in 1967 tot de oprichters van de nog altijd succesvolle New York Review of Books behoorde, verwoordt Darryl Pincney dat de manier waarop dit blad gemaakt werd een vorm van ultieme literaire vriendschap is: ‘Alles was even urgent, iedere medewerker was het middelpunt van een drama, genaamd zijn of haar „stuk”. Ongelooflijke veldslagen speelden zich af als het blad naar drukker moest […]. Iemands lach in de typekamer kon een opmaker in de kamer ernaast tot razernij brengen, stormen en slaande deuren. Het was een familie.’ Ofwel: een persoonlijke ongemakken overstijgend geestelijk verbond dat zelfs een revolutie in het denken, verbeelden en voelen teweeg kan brengen.