Het overbodige kind

Discriminatie van kinderen wordt door Elisabeth Young-Bruehl in een prikkelend boek gevat in de term ‘childism’. De psychoanalytica probeert uit te leggen wat er precies onder kinderhaat valt en hoe volwassenen hun gedrag proberen te legitimeren.

Elisabeth Young-Young-Bruehl: Childism. Confronting Prejudice. Yale University Press, 354 blz. €28,–

In 2008 wilden Hannah de Heus en Christine de Vries het taboe op kinderhaat doorbreken. Zij noemden in Het Anti-Kindboek een lange lijst ergernissen: kinderen krijsen, stinken, en ze maken het onmogelijk om eens rustig een bezoek aan een dierentuin of café te brengen. Zou er niet een kindvrije zone moeten zijn en het bordje ‘VERBODEN VOOR KINDEREN’ bij sommige restaurants geplaatst moeten worden?

Hoewel het boek grappig was bedoeld, kun je je met het zojuist verschenen boek van de psychoanalytica Elisabeth Young-Bruehl, Childism, afvragen of we hier niet te maken hebben met de zuiverste vorm van ‘childism’. Childism is discriminatie tegen kinderen als groep, die voortkomt uit vooroordelen. Deze vooroordelen legitimeren onacceptabel gedrag van volwassenen jegens kinderen, bijvoorbeeld uitsluiting of mishandeling. Young-Bruehl noemt een aantal voorbeelden van vaak voorkomende opvattingen die geweld tegen kinderen legitimeren: bijvoorbeeld de aanname dat kinderen ‘wild’ zouden zijn en ‘moeten worden getemd’. De ‘childist’ beschouwt het kind als zijn of haar eigendom en ziet het niet als subject, maar als object.

Als voorbeeld van een bekende ‘childist’ uit de westerse geschiedenis noemt Young-Bruehl de Griekse filosoof Aristoteles. Hij meende dat kinderen geen redelijke denkvermogens hadden, geen rechten hadden en dat ze bezit waren. Met deze opvatting konden kinderarbeid en slavernij worden gelegitimeerd. Volgens Young-Bruehl zitten de Aristoteliaanse assumpties over kinderen diep ingebakken in de westerse samenleving.

Een interessante gedachte die echter ook meteen de vraag oproept hoe het dan zit in andere culturen: zijn kinderen niet bij uitstek in sommige Aziatische landen verhandelbaar en exploiteerbaar?

Gescheiden

In haar therapeutische praktijkvoorbeelden (die haar op het spoor hebben gezet van de term), is Young-Bruehl op haar best. Ze laat zien welke gevolgen het opgroeien in een kindonvriendelijke omgeving kan hebben voor de latere psychosociale ontwikkeling. Ze noemt een aantal alledaagse zaken van kinderen die dupe zijn van gescheiden ouders die strijden om zeggenschap over het kind. Haar studie naar de inmiddels volwassen vrouw Anna is minder alledaags. Anna was jarenlang slachtoffer van incest en misbruik, zowel door haar vader als door een neef, en dat gedrag werd met opvattingen over kinderen (‘jij bent er om mij te behagen’, ‘kinderen zijn vuil’) gelegitimeerd door de daders. Het lijkt erop dat Young-Bruehl met de ‘childism’ een term gevonden heeft om de jarenlange ontkenning van belangen van het kind door mishandelende ouders en anderen te benoemen.

Young-Bruehls boek is prikkelend maar laat zowel op praktisch als theoretisch vlak veel vragen onbeantwoord. Neem positieve assumpties over kinderen (onschuldig, puur, zuiver): zijn die ook ‘childist’? Young-Bruehl spreekt zich er niet over uit, al bekritiseert ze een geval van extreme kinderliefde. Als historisch voorbeeld geeft zij de Amerikaanse Society for the Prevention of Cruelty to Children (SPCC) uit de jaren 1870-1890 in de Verenigde Staten. Deze club blanke burgers uit de middenklasse wilde als ‘kinderredders’ minder bedeelde kinderen beschermen tegen hun ‘criminele’ ouders. In feite was dit een manier om hun eigen levensstandaard als moraal op te leggen aan anderen door ze als ‘delinquent’ aan te merken. Meer eigentijds moest ik denken aan Haïti, waarbij westerse adoptie na de aardbeving werd gelegitimeerd met de argumentatie dat de kinderen ‘een betere toekomst’ moesten krijgen – de biologische ouders werden daarmee impliciet gediskwalificeerd en het kind als object verhandeld.

Zo bezien opent Young-Bruehl met haar analyse van ‘childism’ een interessante kijk op actuele kwesties. Maar de vraag blijft hoe we ‘childism’ nu precies moeten begrijpen: als een alternatieve aanvulling op de rechten van het kind? Maar wat voegt het concept dan toe aan de reeds bestaande regels en wetten? Kinderen hebben immers rechten, zoals opgetekend in Het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind. Misschien is ‘childism’ nog wel het beste te vergelijken met wat Richard Ryder en Peter Singer ‘speciesisme’ hebben genoemd, het bevoorrechten van de ene (menselijke) soort ten opzichte van de andere (dieren)soort. Net als dieren, zijn kinderen immers (nog) geen politieke actoren en hebben ze, zolang ze klein zijn, altijd woordvoerders nodig om hun rechten te verdedigen. Die zijn vastgelegd, maar voor de vooroordelen waarmee het overtreden van kinderrechten wordt gelegitimeerd, was nog geen term.

Opvoedingspraktijk

Onduidelijk blijft ook wat ‘childism’ betekent voor de opvoedingspraktijk. Moet je ze als gelijken behandelen? Er zijn zeker opvoedingsfilosofieën die dat voorstaan (zoals natural parenting), maar voor je het weet ben je dan – Rousseau waarschuwde hier ook voor – de slaaf van je kind door zijn of haar bevelen uit te voeren (adultism?). Niet alleen zíjn kinderen kinderachtig en moet je – soms door duidelijk of streng te zijn – bepalen wat een kind wel of niet mag, maar ook bevat het amalgaam van opvattingen dat wij hebben over kinderen wanneer we ze ‘opvoeden’ misschien per definitie wel ‘childist’ elementen. Door vooral op extreme geweldzaken te concentreren en geen uitspraken over een goede opvoeding te doen, omzeilt Young-Bruehl deze complicerende, maar interessante kwesties.

Zwak is ook hoe Young-Bruehl met behulp van de term ‘childism’ abortus analyseert. Ze veroordeelt de Pro-Life beweging omdat die het kind als eigendom beschouwen: ze doen alsof het toekomstige lichaam van het ongeboren leven van hun is, omdat het kind niet kan leven buiten de buik van de moeder. Dat vind ik ook, maar ik vraag me dan toch of ‘baas in eigen buik’ in feite niet ook gebaseerd is op een ‘childist’ uitgangspunt, namelijk het is mijn buik, en dus is het mijn kind.

Kortom, de grens wordt er met behulp van het childism-criterium niet altijd helderder op. Dat neemt niet weg dat dit boek je niet los laat, en je prikkelt om via de term ‘childism’ de relatie tussen volwassenen en kinderen te politiseren. Het boek van Young-Bruehl laat zien hoe je de gedachten die geweld tegen kinderen legitimeren eenvoudig kunt benoemen als kinderhaat.