De mensen een eindje meenemen

Hans van Mierlo is altijd een prater geweest, geen schrijver. Twee jaar na zijn dood is er een boek met zijn toespraken. ‘Pas aan het eind zie je het foute uitgangspunt.’

Hans van Mierlo: ‘De atoombom dat zijn wij zelf’ Foto Leo van Velzen

Hans van Mierlo: Een krankzinnig avontuur. Politieke, culturele en literaire beschouwingen. De Bezige Bij, 456 blz. € 24,90

Wat wordt in de volgende zinnen gezegd? ‘Het leven zit vol paradoxen. De koningin is jarig en ook weer niet. Als ze geen koningin was, zou ze nu niet jarig zijn, maar dan zou ze wel weer ons kunnen feliciteren met ónze verjaardag. Nu ze wél koningin is kan zij ons, die echt jarig zijn, niet feliciteren, maar wij haar weer wel, ook al is ze niet echt jarig.’ Zinnen zoals alleen Hans van Mierlo ze kon bedenken én uitspreken. In dit geval op 30 april 1986, Koninginnedag, aan het eind van een toespraak in het Amsterdamse Krasnapolsky ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van D66, zijn partij.

Zo ging het vaak aan het slot van D66-bijeenkomsten. De hele dag was er vergaderd als een echte politieke partij. Met amendementen, en sub-amendementen, met de onnavolgbare interventie van het recalcitrante lid, met de verkiezing van leden voor de diverse partijcommissies. Maar aan het eind van zo’n afmattende dag was er dan altijd weer ‘De Toespraak van Hans’. Voor buitenstaanders: de toespraak van partijleider Van Mierlo. Voor veel partijleden het hoogtepunt van de dag. Het was in elk geval weer mooi gezegd, konden ze na zo’n met warme stem uitgesproken betoog vaststellen. Maar wát was er eigenlijk gezegd? Van Mierlo zelf zat er niet mee. Mensen ‘meenemen in de redenering’ was voldoende.

Het kan eindelijk worden nagelezen. In het vandaag gepresenteerde boek Een krankzinnig avontuur is een groot aantal van de politieke, culturele en literaire beschouwingen van de in 2010 overleden politicus gebundeld. Teksten die een tijdspanne van veertig jaar beslaan.

Eindelijk ook het boek ván Van Mierlo. Want afgezien van het vorig jaar postuum gepubliceerde eerste deel van zijn verre van voltooide memoires is de man die zo lang zo’n markante rol speelde in de Nederlandse politiek er nooit toe gekomen zijn ideeën en gedachten in een boek vast te leggen. De ooit bij het Algemeen Handelsblad als journalist begonnen Van Mierlo was een prater, geen schrijver. Hij schreef wel, maar vooral om het vervolgens goed te kunnen vertellen. ‘Hij schrijft om te spreken’, zegt Lennart van der Meulen, één van de samenstellers van de bundel, in het voorwoord.

Van Mierlo ‘houdt van praten’ schreef ook columnist J.L. Heldring in 1994 in deze krant toen de D66-voorman in het eerste paarse kabinet minister van Buitenlandse Zaken was geworden. ‘Hij houdt ervan de mensen te confronteren met brede beschouwingen, die niet altijd voorbeelden van cartesiaanse luciditeit zijn – en dat niet alleen omdat zij vaak op paradoxen uitlopen. Kortom, hij behoort meer tot een cafécultuur dan tot het diplomatiek circuit’, aldus de kritische waarneming van Heldring.

Kernwapendebat

Heldring heeft gelijk gekregen. Van Mierlo heeft tijdens zijn ministerschap geen stempel weten te zetten op het buitenlands beleid van Nederland. Maar gefilosofeerd over de wereld is er onder zijn leiding op Buitenlandse Zaken des te meer. Vijftien jaar eerder had de filosofische benadering van Van Mierlo al grote hoogten bereikt ten tijde van het Nederland splijtende kernwapendebat. Terwijl vooral de linkse partijen en het CDA elkaar moreel de maat namen, koos Van Mierlo voor een positie die ver verwijderd was van de ethiek.

Op een in 1980 gehouden een studiedag van zijn partij over Vrede en Veiligheid zette hij in een rede vol paradoxen, twijfels en dilemma’s het vraagstuk op geheel eigen wijze uiteen. ‘Vaak wordt pas aan het einde van een lange weg het verkeerde uitgangspunt zichtbaar’, begint Van Mierlo. Om uiteindelijk te kiezen tegen voorstellen voor eenzijdige ontwapening. Het is Van Mierlo ‘op zijn Van Mierlo’st’ en daarmee is het ook een van de meest karakteristieke stukken in het boek. ‘De atoombom dat zijn wij zelf’, zegt hij na geconstateerd te hebben dat de bom in 1945 ‘wel uit de lucht is komen vallen, maar de uitvinding en het besluit tot gebruik ervan niet’. Het heeft geleid tot ‘een gekkenhuis waarin we met de grootst mogelijke omzichtigheid met elkaar moeten omspringen omdat het aan de rand van de afgrond staat’. Staande op die rand ‘zal de enig denkbare redding blijken te liggen in het bewust aanwenden van de macht van dat wapen ter voorkoming van een oorlog waarin dat kernwapen gebruikt zou moeten worden.’

Vanzelfsprekend zijn ook veel bijdragen in het boek opgenomen met het niet aflatende pleidooi van Van Mierlo voor staatkundige vernieuwing en de daarbij volgens hem nauw samenhangende machtsvraag. In 1968 hekelde hij ‘de malaise’ waardoor ‘de regering niet kon regeren en het parlement niet kon controleren.’ Bijna veertig jaar later, in 2006, zag hij dat nog altijd als probleem: ‘Omdat alles uit één stem moet komen, omdat macht en de controle op macht in een dodelijke omhelzing verkeren.’ Het is een duidelijk voorbeeld van een constante, een frustrerende constante.

Komma

Over welk onderwerp het ook gaat – er passeren er nogal wat – Van Mierlo blijft spelen en zwoegen met de taal. Hij was geen man die spontaan een verhaal kon houden. ‘Vrijwel al zijn toespraken zijn tot de laatste punt en komma vooraf uitgeschreven’, schrijft Van der Meulen in het voorwoord. Niet verwonderlijk dat Van Mierlo dus ook over taal kon spreken. Dat deed hij in 1999 tijdens het congres van het Genootschap Onze Taal. De taal in de Tweede Kamer was ‘morsdood en vaak niet om aan te horen zo lelijk.’ Maar dat was in zijn ogen niet verwonderlijk. Het had te maken ‘met de politieke cultuur waarin onze taal moet functioneren’. En alsof het nog steeds 1966 was toen hij D66 oprichtte sprak Van Mierlo: ‘We hebben een van de meest onpersoonlijke en indirecte democratieën ter werelden daar heeft zich consequent een onpersoonlijke en indirecte taal ontwikkeld.’ Het boek laat zien dat Van Mierlo van dat taalprobleem nooit last heeft gehad.